In deze civiele zaak gaat het om een hoger beroep in kort geding over de afwikkeling van een bewijsbeslag en een voorschot op schadevergoeding wegens onrechtmatige digitale verspreiding van intieme beelden en chatgesprekken. Appellant betwistte het bewijsbeslag en de veroordeling tot betaling van een voorschot, terwijl geïntimeerde schadevergoeding vorderde.
Het hof stelt vast dat het vonnis in de bodemprocedure, waarin appellant onrechtmatig handelen is vastgesteld en schadevergoeding is toegekend, in kracht van gewijsde is gegaan. Hierdoor is het spoedeisend belang van geïntimeerde bij de kortgedingvoorzieningen vervallen. Het hof vernietigt daarom de veroordelingen tot betaling van het voorschot en het verstrekken van een digitale kopie, maar bekrachtigt het vonnis voor zover het beslag en de proceskosten betreft.
Verder oordeelt het hof dat het bewijsbeslag van rechtswege is vervallen en dat appellant de teruggave van gegevensdragers via de strafrechtelijke procedure moet vragen. De vorderingen tot opheffing van het beslag en afgifte van kopieën worden afgewezen. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, die uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.