Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 10 november 2017;
- het procesdossier eerste aanleg.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die haar zoon onder toezicht stelde van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder betwistte dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling werd bedreigd en voerde aan dat de situatie stabiel is en dat er geen noodzaak is voor ondertoezichtstelling.
De rechtbank had de ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de behandeling van een andere zaak aangehouden. De GI en de raad voerden aan dat ondanks enige verbetering de moeizame verstandhouding tussen de ouders en het negatieve effect daarvan op de minderjarige nog steeds een bedreiging vormt voor zijn ontwikkeling. Er is een traject gestart om het gezamenlijk ouderschap te verbeteren.
Het hof oordeelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is omdat de minderjarige zich in een loyaliteitsconflict bevindt en er sprake is geweest van diverse problemen zoals gedrags- en slaapproblemen. Het ontbreken van contact met de vader belemmert de ontwikkeling van de minderjarige. De GI moet ondersteuning bieden om de situatie te verbeteren. Het hoger beroep van de moeder tegen een deel van de beschikking is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring is ingetrokken.
Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en wijst verdere verzoeken af. De uitspraak benadrukt het belang van het gedwongen kader om de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen en de samenwerking tussen ouders te verbeteren.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de minderjarige en verklaart het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk voor een deel van de beschikking.