Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.[belanghebbende 1] ,
2.[belanghebbende 2] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- I) [holding] als vereffenaar te ontslaan voor zover [holding] nog als vereffenaar kan worden aangemerkt;
- II) Een objectieve derde te benoemen als vereffenaar en – onder voorwaarde dat dit verzoek wordt toegewezen – [belanghebbende 1] als vereffenaar te ontslaan voor zover [belanghebbende 1] thans nog als vereffenaar kan worden aangemerkt;
- III) [holding] te veroordelen tot betaling van een voorschot aan Houmij van € 25.000,-, dan wel een bedrag dat het hof in goede justitie geraden acht;
- IV) [holding] te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.De beoordeling
rechtspersoon in liquidatie blijft bestaan en zelf rechthebbende is op het vermogen“(WV 17725 MvT nr. 3 p. 67), uit hoofde van de aansprakelijkheid van de vereffenaar (en/of anderen) voor enige nalatigheid in diens handelen of uit hoofde van onrechtmatige daden tijdens de vereffening. Grief 1 treft doel.
Derhalve moet worden bezien of uit het summiere onderzoek zoals dat binnen deze procedure kan plaatsvinden voldoende aannemelijk is geworden dat mogelijk sprake is van een vorderingsrecht van Houmij.
Het hof acht derhalve niet aannemelijk dat die aansprakelijkstelling enige bate zal opleveren voor Houmij, die als zodanig geen partij was bij de gestelde afspraak, welke bate vervolgens alsnog vereffend zou moeten worden in het kader van de vereffening van Houmij.
Als gevolg van de keuze van [belanghebbende 1] om de aandelen slechts voor € 1,- te verkopen, heeft Houmij mogelijk een verlies geleden dat als ‘bate’ kan worden aangemerkt, indien [belanghebbende 1] en eventuele andere betrokkenen civielrechtelijk hiervoor aansprakelijk zouden kunnen worden gehouden. Deze bate is daarmee in het kader van het uit te voeren summiere onderzoek in enigerlei mate aannemelijk geworden. De gestelde verplichting tot overdracht aan [belanghebbende 2] in het kader van de aandeelhoudersovereenkomst, al dan niet versterkt met een hoge boete, maakt het voorgaande niet anders nu ook in die context [belanghebbende 2] immers gehouden was tot een opstelling die de toets van artikel 2:8 BW Pro kon doorstaan.
Het is niet onaannemelijk dat ook hier een ‘bate’ ten behoeve van Houmij uit voortvloeit, indien [belanghebbende 1] als vereffenaar en/of andere betrokkenen ten aanzien van deze keuze aansprakelijk wordt gesteld.