Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de brief met bijlage van de GI d.d. 9 februari 2018;
- productie 5 tot en met 8 bij het beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 februari 2018.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind beëindigde en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd benoemde. De minderjarige staat sinds 2013 onder toezicht en is sinds 2014 geplaatst bij een jeugdhulpaanbieder. De moeder wenst voortzetting van de ondertoezichtstelling en samenwerking met de GI, maar erkent problemen zoals het gebruik van verdovende middelen en schoolverzuim door de minderjarige.
De raad voor de kinderbescherming stelt dat de ondertoezichtstelling en open plaatsing onvoldoende effect hebben gehad en dat de gezagsbeëindiging noodzakelijk is om de GI volledige beslissingsbevoegdheid te geven. De GI bevestigt de problematiek en benadrukt het belang van doorpakken, mede vanwege de relatie van de minderjarige met een veel oudere vriend en haar psychische problematiek.
Het hof overweegt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat aan de wettelijke criteria voor gezagsbeëindiging is voldaan: de ontwikkeling van de minderjarige wordt ernstig bedreigd en de moeder is niet in staat de verzorging en opvoeding adequaat te dragen binnen een aanvaardbare termijn. De gezagsbeëindiging staat los van het contact tussen moeder en kind. Het beroep van de moeder op een EHRM-arrest wordt verworpen. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd.