Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2018:1831

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 april 2018
Publicatiedatum
30 april 2018
Zaaknummer
20-000059-17
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep poging moord en voortzetting tbs-behandeling

De verdachte is door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging wegens poging moord op een medewerkster van een penitentiaire inrichting.

Het Openbaar Ministerie stelde hoger beroep in, maar trok dit in voordat inhoudelijke behandeling plaatsvond. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk, omdat het Openbaar Ministerie geen belang meer had bij voortzetting.

Deskundigen van het Pieter Baan Centrum adviseerden een terbeschikkingstelling met dwangverpleging vanwege ernstige persoonlijkheidsproblematiek, lage intelligentie en psychotische kwetsbaarheid. Het hof benadrukte het belang van een snelle start van de tbs-behandeling en gaf het Openbaar Ministerie in overweging om verdachte, ondanks een nog openstaande gevangenisstraf, in een behandelkliniek te plaatsen.

De voorlopige hechtenis werd opgeheven, en het hof erkende het grote recidiverisico en de ernstige problematiek van verdachte. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 30 april 2018.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en adviseert om verdachte zo spoedig mogelijk in een behandelkliniek te plaatsen voor de tbs-behandeling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000059-17
Uitspraak : 30 april 2018
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 23 december 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-865072-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1989,
wonende te [adres] ,
thans verblijvende in [verblijfplaats] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep.
De raadsvrouwe heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep, een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis gedaan en voorts verzocht een overweging ten overvloede aangaande de aanvangsdatum van de eerder opgelegde tbs-behandeling op te nemen in het arrest.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Bij schrijven van 26 maart 2018 gericht aan de voorzitter van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof, heeft de advocaat-generaal onder verwijzing naar het recente PBC-rapport medegedeeld dat het openbaar-ministerie geen belang meer meent te hebben bij voorzetting van het ingestelde hoger beroep.
De rapporteurs van het Pieter Baan Centrum adviseren verdachte een terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. De deskundigen, aldus de advocaat-generaal in haar brief, achten het van belang dat verdachte snel in een passende behandelomgeving met expertise voor zijn ernstige problematiek wordt geplaatst.
Nu de inhoudelijke behandeling van de zaak nog niet is aangevangen en de advocaat-generaal te kennen heeft gegeven dat de bezwaren van het Openbaar Ministerie tegen het beroepen vonnis niet worden gehandhaafd, zal het hof, nu het belang van het Openbaar Ministerie noch enig ander rechtens te beschermen belang gediend is met een behandeling van het hoger beroep, toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en zal het hof het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Het hof is ter terechtzitting gebleken dat verdachte nog een gevangenisstraf dient uit te zitten die eerder in een andere strafzaak aan hem is opgelegd en dat die titel zal herleven, indien het hof de voorlopige hechtenis is de onderhavige zaak opheft en het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart. Dat zou inhouden dat het nog enige tijd zal duren voordat verdachte een aanvang kan maken met zijn behandeling. Het hof is het evenwel met de advocaat-generaal en de verdediging eens dat verdachte zo spoedig als mogelijk aan de behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling kan beginnen.
Er is, aldus de deskundigen, bij verdachte sprake van een ernstig disfunctioneren en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waarin persoonlijkheidsproblematiek voorop staat. Verdachte is in zijn kindertijd dermate verwaarloosd en getraumatiseerd, juist door degenen die zijn verzorgers zouden moeten zijn, dat hij onveilig gehecht is geraakt. De persoonlijkheidsontwikkeling, die in het kader van hechtingsrelaties plaatsvindt, is hierdoor ernstig verstoord. Daarnaast is er, zo blijkt uit de rapportage van het PBC, sprake van een lage intelligentie. Op basis van eerdere onderzoeken kan worden gesteld dat verdachte
functioneert op ten hoogste zwakbegaafd niveau, mogelijk zelfs op het niveau van een
licht verstandelijke beperking. Passend bij de zeer kwetsbare en weinig geïntegreerde persoonlijkheid is er ook sprake van psychotische kwetsbaarheid. De ernstige gedragsproblemen doen zich in ieder geval voor sinds het begin van zijn verblijf in Nederland op zijn 9e jaar.
De deskundigen van het Pieter Baan Centrum menen dat het ten laste gelegde verminderd
kan worden toegerekend. Binnen het brede spectrum van 'verminderd toerekenen' zit
betrokkene naar mening van onderzoekers aan de onderkant van het spectrum ('sterk
verminderd'), vanwege een grote doorwerking van de ernstige pathologie in het
ten laste gelegde.
Gelet op het feit dat verdachte onderhavig feit heeft gepleegd binnen zijn detentie – in een rustige en gestructureerde unit binnen een penitentiaire inrichting, waar men juist gespecialiseerd is in de omgang met personen met ernstige problematiek – is er naar het oordeel van de deskundigen sprake van een groot recidiverisico.
Het hof is met de deskundigen van oordeel dat verdachte zo snel als mogelijk in een passende behandelomgeving komt waar expertise bestaat voor de ernstige problematiek van verdachte.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Wijst toe het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Het hof geeft het Openbaar Ministerie in overweging om te bezien of het tot de mogelijkheden behoort om hangende de executie van de nog openstaande gevangenisstraf verdachte wellicht al in een behandelkliniek te plaatsen.
Alsdan kan er zo mogelijk al een aanvang worden gemaakt met de tbs-behandeling van de verdachte.
Aldus gewezen door:
mr. K. van der Meijde, voorzitter,
mr. H.A.W. Vermeulen en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. Y.P. Schleijpen, griffier,
en op 30 april 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.