Belanghebbende werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over de periode 1 januari 2012 tot en met 26 januari 2016 vanwege het gebruik van een auto met Duits kenteken. De auto stond op naam van zijn echtgenote, die verklaarde de auto in Nederland te gebruiken, maar het hof concludeerde dat belanghebbende de auto vóór de politiecontrole op 15 december 2015 niet feitelijk ter beschikking had.
De rechtbank had de naheffingsaanslag verminderd, maar het hof vernietigde deze uitspraak en de aanslag zelf. Het hof baseerde zich op de wettelijke bepalingen van de Wet MRB en de bewijslastverdeling, waarbij belanghebbende aannemelijk maakte dat hij de auto niet vanaf 1 januari 2012 tot en met 14 december 2015 ter beschikking had.
De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak kan nog worden aangevochten bij de Hoge Raad door middel van cassatie.