Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3970126 \ CV EXPL 15-2820)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met 11 producties;
- de memorie van antwoord;
- de akte van [appellante] van 21 maart 2017 met een productie (nr. 12);
- de antwoordakte van [de stichting] van 18 april 2017.
3.De beoordeling
de voordeur is aan de bovenzijde van de sluitkant 10 mm. scheluw waardoor aan de binnenzijde tochtvorming is waargenomen.
de tegelvloer in de woonkamer is slecht gelegd. De voegen lopen schots en scheef en diverse tegels liggen hoger waardoor de bewoners regelmatig struikelen.
- 1. een verklaring voor recht dat de huurverlaging pas met ingang van 1 januari 2015 is opgeheven;
- 2. een verklaring voor recht dat de huurprijs van de woning over de periode van 1 januari 2015 tot 1 maart 2015 wegens ernstige gebreken wordt verminderd tot € 346,11 (naar het hof begrijpt: per maand);
- 3. veroordeling van [de stichting] tot restitutie van de bijdragen aan het 3-in-1-fonds van 20 maart 2013 tot 1 maart 2015;
- 4. veroordeling van [de stichting] tot betaling van € 2.574,90 ter zake verhuiskosten;
- de vorderingen van [appellante] in conventie afgewezen;
- [appellante] in reconventie veroordeeld om aan [de stichting] € 4.851,78 te betalen;
- [appellante] in de proceskosten van de gedingen in conventie en reconventie veroordeeld.
- a. het alsnog toewijzen van hetgeen [appellante] bij de kantonrechter in conventie heeft gevorderd;
- b. het alsnog afwijzen van de vorderingen van [de stichting] in reconventie;
- c. het bepalen dat [appellante] recht heeft op huurvermindering over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 maart 2016, althans over een door het hof in goede justitie te bepalen periode;
- d. veroordeling van [de stichting] tot terugbetaling van hetgeen [appellante] op grond van het vonnis aan [de stichting] heeft voldaan, vermeerderd met wettelijke (handels)rente;
- Het in de vordering genoemde jaartal bij de einddatum 31 maart 2016 berust kennelijk op een vergissing. In de memorie van grieven stelt [appellante] bij randnummer 38 zelf dat zij tot 31 maart 2015 recht heeft op huurvermindering. Overigens berust ook die datum kennelijk op een vergissing. De huurovereenkomst is immers al per 1 maart 2015 geëindigd. Daarom moet de in de vordering genoemde einddatum “tot en met 31 maart 2016” gelezen worden als “tot 1 maart 2015”. In zoverre – met betrekking tot de einddatum van de gevorderde huurverlaging – is geen sprake van een materiële wijziging van eis ten opzichte van hetgeen bij de kantonrechter werd gevorderd. De vorderingen 1 en 2 in conventie kwamen in feite al neer op de vordering van een verklaring voor recht dat de huurvermindering is blijven gelden tot het einde van de huurovereenkomst op 1 maart 2015.
- Dat tussen partijen een lagere huur heeft gegolden (en is blijven gelden) over de periode van 1 oktober 2012 tot 1 januari 2014 is tussen partijen niet in geschil. Het geschil heeft alleen betrekking op de periode vanaf 1 januari 2014. Ook in zoverre – met betrekking tot de begindatum van de huurverlaging – is geen sprake van een materiële wijziging van eis ten opzichte van hetgeen [appellante] bij de kantonrechter heeft gevorderd.
- vanaf 1 juli 2013 € 358,45 per maand (inclusief de in productie 3 bij de conclusie van repliek gespecificeerde bijkomende kosten);
- vanaf 1 januari 2014 € 599,21 per maand;
- vanaf 1 juli 2014 € 609,47 per maand;
- vanaf 1 januari 2015 € 633,36 per maand.