Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant inzake de ontnemingsvordering uit hoofde van witwassen. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €306.313,- en een betalingsverplichting van €92.400,65 opgelegd. De veroordeelde stelde zich op het standpunt dat ontneming niet mogelijk was wegens gebrek aan financieel onderzoek en onvoldoende specificatie.
Het hof overwoog dat bedragen die onderdeel zijn van het bewezenverklaarde witwassen niet automatisch als wederrechtelijk verkregen voordeel gelden; er moet een motivering zijn dat daadwerkelijk voordeel is genoten. Het hof stelde vast dat de veroordeelde samen met haar partner contante betalingen had gedaan voor diverse vakantiereizen, waarvan de facturen met crimineel geld waren betaald. Het totaalbedrag van deze contante betalingen bedroeg €33.808,01.
Aangezien de reizen door het gehele gezin werden genoten, rekende het hof een kwart van dit bedrag toe aan de veroordeelde als daadwerkelijk genoten voordeel, na aftrek van ontvangen kortingen en annuleringen (€950), wat resulteerde in een bedrag van €8.214,50. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.