ECLI:NL:GHSHE:2018:2186

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 mei 2018
Publicatiedatum
18 mei 2018
Zaaknummer
20-001131-15OWV
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit witwassen

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant inzake de ontnemingsvordering uit hoofde van witwassen. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €306.313,- en een betalingsverplichting van €92.400,65 opgelegd. De veroordeelde stelde zich op het standpunt dat ontneming niet mogelijk was wegens gebrek aan financieel onderzoek en onvoldoende specificatie.

Het hof overwoog dat bedragen die onderdeel zijn van het bewezenverklaarde witwassen niet automatisch als wederrechtelijk verkregen voordeel gelden; er moet een motivering zijn dat daadwerkelijk voordeel is genoten. Het hof stelde vast dat de veroordeelde samen met haar partner contante betalingen had gedaan voor diverse vakantiereizen, waarvan de facturen met crimineel geld waren betaald. Het totaalbedrag van deze contante betalingen bedroeg €33.808,01.

Aangezien de reizen door het gehele gezin werden genoten, rekende het hof een kwart van dit bedrag toe aan de veroordeelde als daadwerkelijk genoten voordeel, na aftrek van ontvangen kortingen en annuleringen (€950), wat resulteerde in een bedrag van €8.214,50. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €8.214,50 en legt een betalingsverplichting aan de veroordeelde op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-001131-15 OWV
Uitspraak : 17 mei 2018
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 31 maart 2015 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-879070-13 tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboortegegevens],
wonende te [adresgegevens].
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 306.313,- en aan de veroordeelde een betalingsverplichting opgelegd van € 92.400.65.
De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft afwijzing van de ontnemingsvordering bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 17 mei 2018 onder parketnummer 20-000676-14 tot straf veroordeeld terzake van: “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”, in de periode van 1 januari 2007 tot en met 2 juli 2013.
De wettelijke grondslag
Standpunt verdediging

A.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden ontnomen en dat de vordering daartoe dient te worden afgewezen. Het verweer van de verdediging komt er kort gezegd op neer dat ontneming op grond van artikel 36 e lid 3 Sr niet mogelijk is. Voor wat betreft de periode voor 1 juli 2011 niet omdat een strafrechtelijk financieel onderzoek ontbreekt en voor de periode na 1 juli 2011 niet omdat de ontnemingsvordering daartoe onvoldoende gespecificeerd is.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.

Het hof stel voorop dat bedragen die voorwerp zijn van het bewezen verklaarde misdrijf witwassen niet reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen. Wanneer de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd wordt op het bewezen verklaarde witwassen, dient nader te worden gemotiveerd waarom de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van dat feit. De enkele overweging dat die geldbedragen vermogensbestanddelen vormen die de betrokkene tot voordeel (kunnen) strekken, vormt niet een dergelijke toereikende motivering.

C.

In arrest in de hoofdzaak (zie hiervoor onder veroordeling) heeft het hof – eenvoudig gezegd – bewezenverklaard dat veroordeelde samen met haar partner [partner] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door met de contante gelden die uit enig misdrijf afkomstig waren facturen voor vakantiereizen waaraan beiden hebben deelgenomen, te betalen. Het gaat hierbij om de navolgende reizen en de navolgende contant betaalde bedragen:
- een 11-daagse vliegreis voor vier personen naar Spanje met vertrek 30 juli 2010, totale reissom € 3.548,53 welke in twee delen op 25 juni 2010 en 5 juli 2010 contant is voldaan;
- een 10-daagse vliegreis, voor vier personen naar Aruba met vertrek 29 juli 2012, totale reissom € 8.747,- welk in twee delen op 13 juli 2012 en 20 juli 2012 contant is voldaan;
- een 8-daagse vliegreis, voor vier personen naar Dubai met vertrek 9 februari 2013, totale reissom: € 7.305,64 welke met een contante betaling op 27 december 2012 is voldaan;
- nadat de deelnemers op de reisdag van voormelde vliegreis hun vlucht hadden gemist werd direct een nieuwe boeking voor een nieuwe vlucht gemaakt, waarvoor een extra reissom van € 3.120,84 in rekening werd gebracht, welke met een contante betaling op 11 februari 2013 is voldaan;
- een 9-daagse vliegreis voor vier personen naar Mexico met vertrek 1 mei 2013, waarvoor op 17 november 2012 een bedrag van € 2.000,- en op 14 maart 2013 een bedrag van € 3.461,-, derhalve in totaal: € 5.461,- contant is voldaan;
- een 9-daagse vliegreis voor vier personen naar de Dominicaanse Republiek met vertrek op 7 juli 2013, welke met een contante betaling van € 5.625,- op 25 juni 2013 is voldaan.
Resume:
Het totale bedrag dat veroordeelde en [partner] contant aan de vakantiereizen hebben betaald is € 33.808,01.

D.

Gelet op omstandigheid dat voormelde facturen met contante gelden verkregen uit enig misdrijf door veroordeelde zijn betaald en zij tevens met haar partner deze reizen heeft genoten, hebben zij en haar partner [partner] daadwerkelijk voordeel verkregen uit het bewezenverklaarde feit witwassen overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.
Nu het hof het voordeel baseert op artikel 36 e lid 2 Wetboek van Strafrecht, behoeft het door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot art. 36 e lid 3 Wetboek van Strafrecht geen bespreking.

E.

Het hof stelt het voordeel vast op de totaalsom van de hiervoor onder C. opgenomen contante betalingen ten behoeve van vakantiereizen. In het voordeel van veroordeelde brengt het hof hierop in mindering de bedragen die veroordeelde aan korting of vanwege een annulering heeft ontvangen, zijnde een totaal bedrag van € 950,- (Financieel dossier, blz. 299), zodat resteert een bedrag van € 32.858,01.
Toerekening
Ten aanzien van voormelde reizen staat vast dat deze niet alleen door veroordeelde zijn genoten maar door het gehele gezin van veroordeelde bestaande uit haar partner [partner] en twee kinderen. In het voordeel van veroordeelde zal het hof eenvierde deel van het hiervoor vastgestelde bedrag aan veroordeelde toerekenen als zijnde het voordeel dat zij daadwerkelijk uit het witwassen heeft genoten, zodat aan haar als voordeel wordt toegerekend een bedrag van
€ 8.214,50, waarop tevens het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden vastgesteld.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 8.214,50 (achtduizend tweehonderdveertien euro en vijftig cent).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 8.214,50 (achtduizend tweehonderdveertien euro en vijftig cent).
Aldus gewezen door:
mr. P.M. Frielink, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. N. van der Laan, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. Van der Meijs, griffier,
en op 17 mei 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. N. van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.