Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/317064 / HA ZA 16-450)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties en wijziging van eis;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
3.De beoordeling
- het gebruik van de tuin als bedrijfsterrein € 50.984,76 (grieven 1, 2 en 3);
- de bedrijfsmiddelen [de werkgever van de vrouw] € 4.642,-- (grieven 4 en 5);
- de betaling van een bedrag, op te maken bij staat betreffende:
- het beroep op art. 843a Rv (grieven 12 en 13)
- de proceskosten (grief I).
rechtbankheeft geoordeeld dat de vordering is verjaard en de vordering afgewezen. De rechtbank overwoog in rov. 3.5. dat de man ter comparitie heeft verklaard dat het gehuurde mede een grote tuin van 1390 m2 omvatte en dat hij in het gedeelte bij de woning een siertuin heeft gemaakt. In het daar achter gelegen gedeelte heeft hij, nadat hij hier de bomen had gerooid, over een oppervlakte van 30 bij 8 meter buxusplanten geplant voor zijn bedrijf. Daarbij is door hem ook een heg geplant die de siertuin afscheidde van het achterste gedeelte van de tuin. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw die stellingen ter comparitie niet weersproken. De rechtbank overwoog vervolgens:
vrouw– samengevat – dat de omstandigheid dat de man een deel van het erf van de siertuin heeft afgescheiden, haar sterkte in haar mening dat het afgescheiden gedeelte van de tuin separaat werd gehuurd door de man. Dit gedeelte van de tuin werd door hem gebruikt voor zijn agrarisch bedrijf. De vrouw is er steeds van uitgegaan dat alleen de siertuin deel uitmaakte van het gehuurde.
manvoert ter weerspreking van de grieven het volgende aan.
hofoverweegt als volgt.
rechtbankheeft de vordering van de vrouw wegens ongerechtvaardigde verrijking van de man omdat zij met privémiddelen voor in totaal € 4.642,-- aan goederen heeft gekocht die de man voor zijn eenmanszaak heeft gebruikt, afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de vrouw de vordering niet heeft onderbouwd en de man die vordering gemotiveerd heeft weersproken.
vrouwheeft lijsten van goederen die in opdracht van de man en voor hem en zijn eenmanszaak door haar zijn gekocht, overgelegd (producties 1 tot en met 40 memorie van grieven). Het gaat om overzichten en facturen gericht aan de vrouw. De facturen zijn door de vrouw voldaan; haar werkgever ( [de werkgever van de vrouw] ) bracht die facturen in mindering op haar netto salaris. De vrouw ging er van uit dat de man, die de financiën beheerder, de aankoopsom zou terugstorten op de gezamenlijke bankrekening. Pas in 2015 is de vrouw gebleken dat de man dit heeft nagelaten.
manstelt dat de kantonrechter reeds over deze vordering heeft geoordeeld. Hij wijst hierbij op de rov. 3.9, 3.10, 3.18 en 3.19 van het vonnis van 7 oktober 2015.
hofoordeelt als volgt.
rechtbankheeft het beroep van de man op verjaring verworpen. De vordering van de vrouw heeft de rechtbank afgewezen. Zij overwoog daartoe:
vrouwbetoogt met haar zesde en zevende grief – kort gezegd – dat indien afspraken niet worden nagekomen door de man, de vrouw schade lijdt en die schade aan de man kan worden toegerekend. Tussen het nalaten door de man en de schade van de vrouw bestaat een causaal verband. Nakoming door de man van de gemaakte afspraken strekte ter bescherming van de belangen van de vrouw. Door het niet voldoen aan de door de vrouw gestelde afspraak heeft de man de tussen partijen gesloten overeenkomst geschonden en is hij ongerechtvaardigd verrijkt.
manstelt primair dat sprake is van verjaring. Subsidiair betwist de man de vordering van de vrouw.
hofzal allereerst het meest verstrekkende verweer van de man, het beroep op verjaring, bespreken. Dat beroep op verjaring slaagt en het hof overweegt daartoe als volgt.
rechtbankheeft in rov. 3.19 overwogen dat de vordering van de vrouw strekkende tot betaling van € 14.435,-- voor door haar naar de gezamenlijke rekening overgeboekte privégelden niet is onderbouwd. Die vordering is daarom afgewezen.
vrouwhet volgende. De man heeft (kennelijk, aldus de vrouw) privé-uitgaven gedaan ten laste van de gemeenschappelijke bankrekening althans bedragen daarvan opgenomen. Dit noopte de vrouw tot het aanvullen van het saldo van deze bankrekening met privégelden. Ook is het mogelijk dat de maandelijkse storting van € 500,-- door partijen ontoereikend was ter bestrijding van de kosten van de huishouding.
manheeft de vordering van de vrouw betwist; zij stelt geen althans onvoldoende feiten en omstandigheden voor haar stelling dat sprake zou zijn van een toerekenbare tekortkoming door de man in de nakoming van zijn verplichtingen, dan wel van onrechtmatig handelen dan wel van ongerechtvaardigde verrijking.
hofoverweegt als volgt.
rechtbankheeft geoordeeld dat deze vordering is verjaard. De rechtbank overwoog hierover in rov. 3.18:
vrouwde rechtbank heeft miskend dat zij heeft gesteld dat zij er van uitging dat de man de bedragen die hij ontving naar de gemeenschappelijke rekening overboekte. Pas korte tijd voor het uitbrengen van de inleidende dagvaarding heeft zij ontdekt dat de man dit heeft nagelaten. Pas in 2015 ontving zij voor het eerst afschriften van de privérekening van de man. Vanaf dat moment heeft de verjaringstermijn een aanvang genomen.
manstelt, ook in hoger beroep, dat de vordering van de vrouw is verjaard. Voorts betwist hij de vordering.
hofzal allereerst het meest verstrekkende verweer van de man, het beroep op verjaring, bespreken. Dat beroep op verjaring slaagt. Het hof overweegt daartoe als volgt.
- [gezamenlijke bankrekening] (gemeenschappelijke bankrekening);
- [privérekening man] (privérekening man);
- [zakelijke rekening man] (zakelijke rekening man).
rechtbankheeft deze vordering afgewezen.
vrouwdat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de man deze rekening beheerde en hij, in de onderlinge verhouding tussen partijen verplicht is de vrouw, desgevraagd, te informeren over het verloop van die bankrekening en haar inzage te verschaffen. De vrouw vervolgt: “Daaraan doet niet af dat (mogelijk) de vrouw zelf ook de mogelijkheid heeft de afschriften op te vragen bij de Rabobank.”
manbetwist dat hij het beheer heeft gevoerd over de gemeenschappelijke bankrekening. De vrouw was ook tot deze rekening gerechtigd en beiden hadden volledig inzicht in de mutaties van deze rekening. De vrouw had afschriften bij de bank kunnen opvragen maar heeft, ten overstaan van de kantonrechter, verklaard dat zij de kosten daarvan niet kan dragen. Bovendien heeft de vrouw, nu sprake is van verjaring van haar vorderingen, geen belang bij haar vordering.
hofoverweegt als volgt.
vrouwheeft in hoger beroep haar eis aangevuld in die zin dat, voor zover het hof van oordeel is dat haar vorderingen zijn verjaard, zij een verklaring voor recht vordert inhoudende “dat zij de betreffende vordering heeft op de man, zij het dat die vordering is verjaard”.
manheeft deze vordering weersproken.
hofacht deze vordering van de vrouw niet toewijsbaar. Voor zover de vorderingen zijn verjaard kan het hof immers niet toekomen aan beoordeling van de gegrondheid van de vordering. Het hof kan reeds daarom niet verklaren voor recht dat de vrouw de betreffende vordering op de man heeft.