Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] , België,
[beheersmaatschappij] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.[de maatschap] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[de vennootschap] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 235589 / HA ZA 11-923)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven (met zes producties);
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep (met vijf producties en één grief in incidenteel appel);
- de memorie van antwoord in incidenteel appel (met één productie);
- het pleidooi, waarbij beide partijen een pleitnota hebben overgelegd;
- de door [appellanten] op voorhand toegezonden producties (producties 9 t/m 11), die [appellanten] bij het pleidooi bij akte in het geding hebben gebracht.
3.De beoordeling
Bij brief van diezelfde datum (op de eerste pagina abusievelijk gedateerd als 6 januari 2009) heeft [geïntimeerde] tevens namens Beheer aan de belastingdienst gemeld dat Beheer niet in staat was om de naheffingsaanslag (geheel) te voldoen. In deze brief schrijft [geïntimeerde] :
“(…) Het feit dat de jaarrekening 2006 zo laat gereed is gekomen, is volledig te wijten aan de personele bezetting op ons kantoor. (..) Ten behoeve van de aangifte omzetbelasting zond mevrouw [derde 1] ons per e-mail de benodigde in- en uitgaande facturen toe, op grond waarvan door ons kantoor de aangiften omzetbelasting werden opgesteld en ingediend. Cliënte werd vervolgens geïnstrueerd omtrent de op aangifte te betalen omzetbelasting. (..) Inmiddels zijn de activiteiten van cliënte geheel gestaakt, en de vennootschap beschikt niet meer over voldoende tegoeden om de aangiften te kunnen voldoen. Er zijn ook geen bezittingen meer die belanghebbende te gelde kan maken. Alle nog aanwezige geldmiddelen zullen ter voldoening van de aanslag per omgaande worden betaald. Voor het restant is de vennootschap niet langer in staat om aan haar verplichtingen te voldoen. (..)”
“(..) Onlangs hebt u … opeens aan de orde gesteld dat er in de aangiften omzetbelasting gedurende 2006 abusievelijk voor een totaalbedrag van ongeveer € 117.000,00 te weinig omzetbelasting zou zijn vermeld en daardoor ook te weinig is afgedragen. Dit zou ook voor 2017 gelden. (..) Cliënte heeft u … een door u te ondertekenen verklaring doen toekomen (..) Uw verklaring is noodzakelijk als begeleidend schrijven bij de door u zo spoedig mogelijk in te dienen suppletie-aangifte en melding van betalingsonmacht. (…) Hierbij stelt cliënte u eenmalig in de gelegenheid (….) de .. opgestelde verklaring te ondertekenen en aan mij te doen toekomen. Tevens sommeert cliënte u om de suppletie-aangifte gereed te maken, zodat deze eveneens …, vergezeld van uw verklaring en de melding betalingsonmacht aan de belastinginspecteur kan worden verzonden. (…) (..) is cliënte bereid om u hierbij vrijwaring te bieden voor 60% van de belastingschade (BTW, boete, kosten en rente) (…)”
De Ontvanger schrijft in voormelde brief onder meer:
“(..) De betalingsonmacht van [beheersmaatschappij] is niet op de juiste wijze gemeld. Op grond hiervan bestaat een wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur. U bent daarom aansprakelijk voor (een deel van) de niet betaalde belasting van [beheersmaatschappij] Deze aansprakelijkstelling is gebaseerd op artikel 36 van Pro de Invorderingswet 1990 en artikel 60 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen en premiebesluiten. Artikel 32, lid 2, van de Invorderingswet 1990 bepaalt dat u aansprakelijk bent voor de kosten en invorderingsrente die verband houden met de belastingschuld. Dit geldt ook voor de in de belastingaanslag(en) begrepen heffingsrente en bestuurlijke boete. Gelet op het volgende is dat het geval. Pas in 2008 is de administratie zodanig op orde gesteld, dat de over de jaren 2006 en 2007 onjuist ingediende aangiftebiljetten konden worden gecorrigeerd door middel van suppletie aangiften. (..)”
- de in 2006 en 2007 gedane onvolledige/ onjuiste aangiften omzetbelasting van Beheer,
- de daardoor gevolgde bestuurdersaansprakelijkheid van [appellant sub 1] ,
- de kosten die Beheer vanaf 2009 heeft moeten maken om de boekhouding bij [geïntimeerde] weg te halen, onder te brengen bij [onderneming] en door hen te laten controleren en reorganiseren,
“(..) Cliënte heeft gewoonweg het recht om alle schade en daarmee verband houdende kosten op u te verhalen. Hetzelfde geldt voor haar bestuurder, de heer [appellant sub 1] . (..) ”Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [geïntimeerde] het aanbod in die brief om 60% van de schade voor rekening van Beheer te laten heeft mogen begrijpen als, voor wat betreft de in de brief genoemde schadeposten, een ter zake die schadeposten gedaan aanbod, onafhankelijk van de vraag of die schade voor rekening van Beheer dan wel – bij betalingsonmacht – voor rekening van haar bestuurder zou komen. Dit geldt temeer nu in die brief al werd aangegeven dat Beheer het bedrag van € 117.000,= aan nog af te dragen BTW bij gebrek aan baten/winst niet zou kunnen afdragen en dat het niet uitgesloten was dat [appellant sub 1] daarvoor als bestuurder persoonlijk aansprakelijk zou worden gesteld. Indien met het in de brief gedane aanbod louter een aanbod van Beheer bedoeld zou zijn geweest, zou dit in onder de in de brief genoemde omstandigheden voor [geïntimeerde] van geen enkel belang zijn geweest.
‘niet bij machte zijn te betalen’. In artikel 36 Invorderingswet Pro gaat het daarbij om een niet in staat zijn van een belastingplichtige rechtspersoon om de door haar verschuldigde, in dat artikel genoemde belastingen (waaronder omzetbelasting) te betalen.
In artikel 36 lid 1 Invorderingswet Pro is bepaald dat de bestuurder van een rechtspersoon (een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen) hoofdelijk aansprakelijk is voor de in dat artikel genoemde belastingen als in voormeld artikel nader uiteengezet.
Art. 36 lid 2 van Pro de Invorderingswet bepaalt dat een rechtspersoon als in lid 1 bedoeld, indien zij niet tot betaling van de belasting in staat is, daarvan onverwijld mededeling dient te doen aan de Ontvanger en dat elke bestuurder van de rechtspersoon tot die mededeling bevoegd is.
Indien aan de verplichting tot onverwijlde mededeling van betalingsonmacht is voldaan, kan een bestuurder van de niet tot betaling in staat zijnde rechtspersoon door de fiscus alleen hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden indien de belastingschuld het gevolg is van aan hem te verwijten onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling (art. 36 lid 3 Invorderingswet Pro). Op de Ontvanger rust de bewijslast daarvan.
Indien niet of niet op de juiste wijze aan de mededelingsverplichting is voldaan, is de bestuurder op de voet van het derde lid aansprakelijk, met dien verstande dat in dat geval wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten. Tot weerlegging van dat vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat de rechtspersoon niet aan de mededelingsverplichting heeft voldaan (art. 36 lid 4 Invorderingswet Pro).
‘dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur slechts kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – aldus zou hebben gehandeld’en dat dit onder meer het geval is
‘indien de aansprakelijk gestelde bestuurder van een lichaam heeft bewerkstelligd dat belastingschulden van dat lichaam onbetaald zijn gebleven terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven en hem te dezer zake persoonlijk een ernstig verwijt treft’.
”(..) Deze jaarrekeningen roepen veeleer aanvullende vraagpunten op die door belanghebbende niet zijn opgehelderd; zo valt bijvoorbeeld op dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat de in 2007 afgeloste, hypothecair verzekerde vordering van hem op de BV in de loop van 2006 is ontstaan, terwijl in de door hem overgelegde jaarrekeningen over 2006 en 2007 op de balans per 31 december 2006 geen schuld van de BV aan belanghebbende is opgenomen.”
De door [geïntimeerde] bij het pleidooi in hoger beroep ten aanzien van de brief van [derde 2] nog gevoerde weren kunnen onbesproken blijven. Grief IV faalt.
ex aequo et bonoop € 3.000,= te bepalen bedrag een redelijke vergoeding voor de aan die werkzaamheden toe te rekenen kosten. Het hof zal dat bedrag toewijzen en het door [appellanten] aan advies- en advocaatkosten meer of anders gevorderde afwijzen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat voor de kosten van de advocaat in de belastingprocedure in de arresten van de Hoge Raad van 8 augustus 2014 en 25 maart 2016 en in het arrest van het hof Amsterdam al vergoedingen zijn toegewezen en dat, gelet op het oordeel van het hof Amsterdam in de belastingzaak en op hetgeen het hof hierna nog zal overwegen over de vraag inzake het causaal verband tussen de fout van [geïntimeerde] en de betalingsonmacht van Beheer als zodanig, niet zonder meer kan worden aangenomen dat [appellant sub 1] zich zonder de in het geding zijnde fout van [geïntimeerde] niet eveneens tegenover de Ontvanger zou hebben moeten verantwoorden. Het hof acht de door [appellant sub 1] gevorderde kosten van [derde 2] , die, gezien de datering van de overgelegde facturen, geen advieskosten voorafgaande aan de belastingprocedure betreffen, om dezelfde reden niet toewijsbaar.
“U wijst mij erop dat noch de schuld aan mij noch de hypothecaire zekerheidstelling in de jaarstukken 2006 of 2007 is vermeld. Ik heb daar geen verklaring voor. (..)”
zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep worden verwezen.
Het hof zal de kosten van het pleidooi voor de helft in het principaal hoger beroep meetellen en voor de andere helft in het incidenteel hoger beroep.
4.De uitspraak
P.V. Eijsvoogel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 januari 2018.