Appellant was sinds 1994 in dienst bij geïntimeerde en raakte in 2011 arbeidsongeschikt door een incident op de werkplek. Het UWV verlengde de loondoorbetalingsverplichting tot augustus 2014 en kende daarna een WIA-uitkering toe. Geïntimeerde kreeg toestemming van het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, wat per 1 maart 2015 gebeurde.
Appellant stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was omdat geïntimeerde haar re-integratieverplichtingen onvoldoende had nagekomen, wat leidde tot een loonsanctie en onvoldoende compensatie. De kantonrechter wees de vorderingen af en het hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat het voorval in 2011 geen arbeidsongeval was en dat er geen causaal verband bestond tussen de arbeidsongeschiktheid en de werkzaamheden. Ook was niet aannemelijk dat een betere re-integratie via het tweede spoor tot een betere financiële situatie van appellant had geleid, aangezien hij eind 2016 nog volledig arbeidsongeschikt was.
Daarmee was het ontslag niet kennelijk onredelijk en waren de gevolgen van het ontslag het gevolg van de arbeidsongeschiktheid zelf. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant werd veroordeeld in de proceskosten.