De werknemer was commercieel medewerker bij de werkgever en sloot namens de werkgever twee overeenkomsten met een Israëlisch bedrijf over leveringen groenten en fruit. Hij vervalste de handtekeningen van de CEO en CFO van dat bedrijf en begeleidende e-mails, met als doel de werkgever tot betaling van €400.000 te bewegen.
De werkgever betaalde dit bedrag, maar ontdekte later de vervalsingen en ontsloeg de werknemer op staande voet wegens fraude en bedrog. De werkgever vorderde vervolgens vergoeding van de betaalde schade wegens opzettelijk handelen van de werknemer.
De werknemer betwistte dat sprake was van onverschuldigde betaling omdat de werkgever nog een schuld aan het Israëlische bedrijf zou hebben gehad. Het hof oordeelde dat niet vaststaat of de betaling onverschuldigd was en dat de werkgever onvoldoende heeft aangetoond welke stappen zij heeft genomen om de schade te beperken.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter, veroordeelde de werknemer tot schadevergoeding op te maken bij staat en compenseerde de proceskosten tussen partijen, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.