Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4604498 \ CV EXPL 15-11812)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak stond centraal of appellante haar schuld aan een failliete vennootschap mocht verrekenen met een vordering op een zustervennootschap van de schuldeiser, een zogenaamde kruislingse verrekening. Appellante stelde dat een dergelijke verrekening was overeengekomen en consequent werd toegepast. Geïntimeerde, pandhoudster van de vorderingen, betwistte het bestaan van een algemene verrekenafspraak en voerde aan dat de verrekening in faillissementssituaties niet is toegestaan.
De kantonrechter oordeelde dat appellante de bewijslast droeg voor het bestaan van de verrekenafspraak en dat zij onvoldoende bewijs had geleverd. De vordering van geïntimeerde werd toegewezen. Appellante ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
Het hof bevestigde dat de bewijslast voor het verweer van verrekening bij appellante ligt. Het hof hoefde niet te oordelen over het bewijs van de afspraak omdat het beroep op verrekening in faillissementssituaties niet toelaatbaar is volgens artikel 53 Faillissementswet Pro. Dit artikel vereist dat degene die zich op verrekening beroept zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, wat hier niet het geval was. Het hof verwees naar een arrest van de Hoge Raad dat kruislingse verrekening na faillissement niet mogelijk acht.
Daarom werd het beroep van appellante afgewezen en de vonnissen van de kantonrechter bekrachtigd. Appellante werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De vordering tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat kruislingse verrekening niet is toegestaan bij faillissement en veroordeelt appellante tot betaling van de schuld aan geïntimeerde.