Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/285063 HA ZA 14-531)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
“Kredietovereenkomst,TussenMevr. [appellante] (…) verder genoemd kredietneemsterenDrs [geïntimeerde] (…) verder genoemd kredietgeverKredietgever verstrekt per 1 januari 2010 aan Kredietneemster een lening ter hoogte van € 100.000,00 (…), ten behoeve van de betaling van bouwkosten voor de in aanbouw zijnde villa (…).Reden voor het verstrekken van dit Krediet is een overbruggen van tijdelijke liquiditeitsproblemen van Kredietneemster.Het is kredietneemster bekend dat Kredietgever hiertoe een gelijke lening opneemt bij de [bank 1] Bank te [plaats 2] , met als onderpand zijn aandelenportefeuille bij genoemde bank.
Op 3 januari was door ondergetekende, [appellante] , het krediet bedrag ad € 99.000,00 (…) in goede orde van [geïntimeerde] ontvangen.”.Deze zinsnede is ondertekend door
‘ [appellante] , kredietneemster’
“Als je nog steeds geen financiële oplossing hebt dan zit er niets anders op dan dat we de bouw toch echt moeten gaan stoppen.”In een reactie bij e-mail van 31 oktober 2010 (prod. 2 cva reconv.) bericht [appellante] onder meer dat zij hoopt dat het stoppen van de bouw nog vermeden kan worden, maar dat, als er niets anders opzit, het dan maar moet.
Bij e-mail van 1 november 2010 (prod. 2 cva reconv.) aan [appellante] bericht [geïntimeerde] :
“(..) Er is gewoon geld nodig. De factuur moet betaald worden en ook moet er geld zijn om nieuwe materialen te kopen en de bouw dicht te kunnen maken. Beter de bouwstop leggen nu dan nog grotere financiële problemen voor ons allemaal. (..)”
“Bijgaand stuur ik je nog eens de email die ik je verleden jaar op 25 maart gestuurd heb (…) Uit de mail blijkt ook duidelijk hoe de situatie was per eind 2010. Er stond een bedrag van 45.000 Euro voor het werk dat tot eind november geleverd was. Maar nog eens: er werd nog steeds vanuit gegaan dat we door zouden kunnen gaan met het huis af te bouwen. Er is nooit door mij een eindstand opgemaakt, omdat daar nooit sprake van geweest is. (…) Welnu, afgelopen weekend heb ik de hele stand van zaken met [derde] doorgenomen en een eindcertificaat gemaakt. Dit houdt in alles wat daadwerkelijk geleverd is. Vooruitbetalingen voor onderdelen die uiteindelijk niet geleverd zijn en/of afbesteld werden, alsook onderdelen die nog niet gecertificeerd waren zijn nu in dit laatste certificaat opgenomen en verrekend. Het bedrag dat je mij in [plaats 4] gegeven hebt en het bedrag dat [derde 2] aan [derde] gegeven heeft is hier ook in verwerkt. Ik stuur je dit alles apart toe (…)”
[appellante] heeft in eerste aanleg aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat [aannemer] en/of [onderneming] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk en in verzuim verkeren, zodat zij gehouden zijn de daardoor geleden schade te vergoeden. [appellante] heeft verder gesteld dat [geïntimeerde] op grond van onrechtmatige daad jegens haar aansprakelijk is als bestuurder en/of vereffenaar van [aannemer] en [onderneming] . [appellante] heeft subsidiair een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.
[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord (ter rolle aangemerkt als incidenteel appel) de grieven bestreden en zijn eis vermeerderd. Naast bekrachtiging van de in eerste aanleg gegeven beslissing vordert hij thans tevens vergoeding van de kosten van het door hem gelegde beslag op een onroerende zaak in [plaats 5] .
grief 1);
grief 2);
grief 3);
grief 4);
(grieven 5, 6, 7 en 8).
In
grief 9verwijt [appellante] de rechtbank voorts dat deze geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op haar verweer dat de door [geïntimeerde] gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van de te geven beslissing moet worden afgewezen.
‘zij het kredietbedrag in goed orde van [geïntimeerde] (heeft) ontvangen’is daarvoor geen enkele indicatie te vinden. Nu [appellante] verder niet heeft betwist dat [geïntimeerde] de in het geding zijnde gelden aan haar ter beschikking heeft gesteld uit privé gelden en zij bij de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft verklaard dat zij het geld van [geïntimeerde] zelf heeft geleend, acht het hof, evenals de rechtbank, in het enkele feit dat de krediet overeenkomst is vastgelegd op papier met de opdruk ‘ [onderneming] ’ en het feit dat het krediet deels is aangewend voor schulden van [appellante] aan een vennootschap waarvoor [geïntimeerde] vertegenwoordigingsbevoegd is, onvoldoende grond gelegen voor een ander oordeel dan het aan de krediet overeenkomst te ontlenen oordeel dat door [geïntimeerde] in privé aan [appellante] een lening van € 100.000,= is verstrekt.
ten aanzien van een tegenvordering die voortspruit uit de overeenkomst of uit het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke vordering is gegrond’ ook kan worden opgeroepen voor de rechter waar die laatste vordering aanhangig is. De tegenvordering (de vordering in reconventie) moet, met andere woorden, voortspruiten uit de overeenkomst of het feitencomplex waarop de oorspronkelijke vordering (de vordering in conventie) is gegrond (zie o.m. HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3105).
“3.4.2 In het toelichtende rapport [naam 2] op het EEX-Verdrag (PbEU 1979, C 59/28) is over art. 6, aanhef en onder 3, EEX-Verdrag (dat op dit punt overeenstemt met art. 6, aanhef en onder 3, EEX-Vo) opgemerkt dat de vordering in reconventie verknocht moet zijn met de vordering in conventie. Voorts is van belang dat het HvJEU in het [naam 3] -arrest (HvJEU 12 oktober 2016, zaak C-185/15, ECLI:EU:C:2016:763, NJ 2017/154, rov. 37) een ruime uitleg heeft gegeven aan art. 6, aanhef en onder 3, EEX-Vo. In dat arrest is geoordeeld dat deze bevoegdheidsbepaling partijen in staat stelt – om redenen van goede rechtsbedeling en ter vermijding van overbodige en meervoudige procedures – hun wederzijdse aanspraken die een gemeenschappelijke grond hebben, binnen het bestek van een en hetzelfde geding en voor dezelfde rechter af te wikkelen.”