Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant bekrachtigd waarbij de schuldsaneringsregeling van appellant werd beëindigd zonder toekenning van de schone lei. De rechtbank had geoordeeld dat appellant toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, met name door het niet voldoen van de boedelachterstand en het niet nakomen van informatieverplichtingen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel aan zijn informatieverplichtingen had voldaan en dat hij betalingsregelingen had getroffen voor nieuwe schulden. Hij stelde dat het vrij te laten bedrag (vtlb) onjuist was berekend, waardoor hij niet kon afdragen, en dat hij voorstellen tot aflossing had gedaan waarop geen reactie kwam. De bewindvoerder betwistte deze stellingen en gaf aan dat de boedelachterstand aanzienlijk was en niet binnen twee jaar kon worden ingelopen gezien het inkomen van appellant.
Het hof oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de boedelachterstand onjuist was berekend en dat hij onvoldoende had meegewerkt aan het inlopen van de achterstand. Ook had appellant niet tijdig en volledig aan zijn informatieverplichtingen voldaan, waardoor de bewindvoerder werd belemmerd in haar taak. Gezien de hoogte van de boedelachterstand, het inkomen van appellant en het ontbreken van een concreet plan van aanpak achtte het hof verlenging van de regeling niet opportuun.
Het hof concludeerde dat de tekortkomingen appellant toerekenbaar zijn en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om deze buiten beschouwing te laten. Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder toekenning van de schone lei.
Uitkomst: De schuldsaneringsregeling wordt beëindigd zonder toekenning van de schone lei wegens toerekenbare tekortkomingen.