In deze civiele zaak stond de effectenleaseovereenkomst 'WinstVerDriedubbelaar' tussen Dexia en de geïntimeerde centraal. De geïntimeerde sloot in 2000 een effectenleaseovereenkomst met Dexia waarbij zij een lening ontving om te beleggen in drie beursfondsen. Na afloop bleek een restschuld te bestaan. De geïntimeerde stelde dat zij de overeenkomst onder dwaling had gesloten omdat Dexia haar niet had geïnformeerd over de negatieve koersontwikkelingen van de aandelen.
De kantonrechter wees de vordering van Dexia af en kende de reconventionele vorderingen van de geïntimeerde toe, waaronder vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling en terugbetaling van betaalde bedragen. Dexia ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het hof oordeelde dat Dexia als professionele partij haar mededelingsplicht had geschonden door de negatieve koersontwikkelingen in de twee jaren voorafgaand aan de overeenkomst niet te vermelden, terwijl zij wel positieve informatie gaf. Gezien de financiële situatie en het gebrek aan ervaring van de geïntimeerde was dit van doorslaggevend belang. Hierdoor was het beroep op dwaling terecht en bleef de vernietiging van de overeenkomst in stand.
Verder wees het hof het beroep van Dexia op eigen schuld af, omdat Dexia ook onrechtmatig had gehandeld. De schadeverdeling volgens het hofmodel werd in dit geval niet toegepast. De wettelijke rente werd toegekend vanaf het moment van schade. De proceskosten werden aan Dexia opgelegd. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde Dexia in de kosten van het hoger beroep.