Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de vennootschap 2] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[de vennootschap 3] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/339709 / KG ZA 17-855)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven;
- het herstelexploot;
- de akte houdende overleggen producties van [appellante] van 1 mei 2018;
- de memorie van antwoord van 15 mei 2018 met drie producties (nummers 19 tot en met 21).
3.De beoordeling
- [geïntimeerde 1] is eigenaar van een perceel grond met daarop een bedrijfsgebouw, gelegen aan de [adres] te [plaats 1] .
- Enig aandeelhouder en bestuurder van [geïntimeerde 1] is de besloten vennootschap [de vennootschap 4] (hierna: [de vennootschap 4] ). De aandelen in [de vennootschap 4] worden voor 85% gehouden door [betrokkene] en voor 15% door zijn echtgenote.
- Tot 2007 heeft [geïntimeerde 1] op voormelde locatie een autobedrijf en een onbemand brandstoffenverkooppunt geëxploiteerd. De ondergrondse installatie van het brandstoffenverkooppunt is eigendom van [geïntimeerde 1] .
- Op 6 december 1999 hebben [appellante] (voorheen [de vennootschap 5] ) en [geïntimeerde 1] een leveringsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [appellante] zich heeft verbonden om gedurende tien jaar aan [geïntimeerde 1] motorbrandstoffen te leveren en [geïntimeerde 1] zich heeft verplicht om voor eigen gebruik en voor de wederverkoop de volledige behoefte per jaar aan motorbrandstoffen van [appellante] te betrekken, deze te verhandelen en/of te gebruiken en/of voortdurend in voorraad te houden, met uitsluiting van iedere andere leverancier. Tevens zijn partijen overeengekomen dat gedurende de looptijd van de overeenkomst de bovengrondse installatie door [appellante] wordt bekostigd en aan [geïntimeerde 1] in bruikleen wordt verstrekt. In artikel 10 van Pro de ‘Algemene Bruikleenbepalingen’ zijn partijen onder meer overeengekomen dat de bruiklener bij het einde van de overeenkomst het materiaal in goede staat zal teruggeven en dat [appellante] gerechtigd is
- In 2007 heeft [geïntimeerde 1] haar activiteiten, waaronder de exploitatie van het onbemande brandstoffenverkooppunt, ondergebracht in [geïntimeerde 2] . [geïntimeerde 1] heeft voormelde onroerende zaak verhuurd aan [geïntimeerde 2] , die tevens de overeenkomst met [appellante] heeft overgenomen van [geïntimeerde 1] .
- Nadat de leveringsperiode van 10 jaar was verstreken, hebben [appellante] en [geïntimeerde 1] / [geïntimeerde 2] in 2009 de tussen hen gesloten leveringsovereenkomst voor onbepaalde tijd verlengd. [appellante] heeft de bovengrondse installatie op de locatie op haar kosten gemoderniseerd. Tevens heeft zij [geïntimeerde 1] / [geïntimeerde 2] een tankinhoud meetsysteem ten behoeve van de brandstoftanks in bruikleen gegeven. Partijen hebben ter zake op 11 maart 2009 een bruikleenovereenkomst getekend.
- In 2011 heeft [appellante] een pin/betaalautomaat en een elektronisch prijzenbord aangeschaft en aan [geïntimeerde 1] / [geïntimeerde 2] in bruikleen gegeven. Deze apparatuur wordt door [appellante] vanuit haar kantoor in [plaats 2] bediend. Sinds deze aanpassingen komen de betalingen van de aan het publiek verkochte brandstoffen bij [appellante] binnen. [appellante] verrekent deze met de door [geïntimeerde 2] aan haar te betalen inkoopprijzen voor de brandstoffen. [geïntimeerde 2] ontvangt maandelijks van [appellante] een overzicht van ingekochte en verkochte brandstoffen.
- In 2012 heeft [geïntimeerde 1] / [geïntimeerde 2] aan [appellante] te kennen gegeven dat zij voornemens is in verband met de slechte bedrijfsresultaten op zoek te gaan naar een koper of huurder voor de locatie.
- In de loop van 2013 heeft [geïntimeerde 2] de showroom en de verkoopactiviteiten van het autobedrijf ter plaatse gestaakt. De werkplaats is per 1 april 2017 gesloten. Het onbemande tankstation is tot op heden in gebruik gebleven.
- [geïntimeerde 1] heeft op 3 augustus 2015 een ‘intentieovereenkomst/voorlopige koop-overeenkomst’ gesloten met de besloten vennootschap [de vennootschap 6] (hierna: [de vennootschap 6] ) die de locatie wil herontwikkelen. Zij zijn daarin overeengekomen dat [geïntimeerde 1] voornemens is de onroerende zaak aan [de vennootschap 6] te verkopen, gelijk [de vennootschap 6] voornemens is deze van [geïntimeerde 1] te kopen en dat de overeenkomst tot stand komt onder de navolgende ontbindende voorwaarden: (1) verkrijging van de financiering van de desbetreffende transactie, (2) toestemming van de gemeente omtrent de plannen en (3) volledige overeenstemming over de koopovereenkomst.
- [betrokkene] heeft namens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in een gesprek op 31 augustus 2015 aan [appellante] een brief van 25 augustus 2015 doen toekomen, waarin zij te kennen heeft gegeven tot verkoop van de gehele locatie te hebben besloten en daarmee de huidige afname van motorbrandstoffen op termijn te staken. Zij willen met [appellante] in overleg treden over de definitieve einddatum, waarbij de bovengrondse afleveringsinstallatie, het prijzenbord en de betaalautomaat dienen te worden verwijderd.
- [de vennootschap 6] heeft in januari 2017 aan [betrokkene] bevestigd dat zij beschikt over de benodigde vergunningen en financiering en dat zij de locatie wil afnemen. [geïntimeerde 1] / [geïntimeerde 2] hebben met [appellante] contact opgenomen over de beëindiging van de samenwerking.
- Bij emailbericht van 21 maart 2017 heeft [appellante] aan [betrokkene] bericht, samengevat, dat er in juridische zin sprake is van een huurovereenkomst, dat zij gerechtigd is het tankstation te blijven exploiteren en dat [geïntimeerde 2] gehouden is het tankstation aan haar beschikbaar te stellen. [appellante] doet een beroep op de wettelijke huurbescherming.
- [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben middels brief van hun advocaat van 16 oktober 2017 [appellante] verzocht en gesommeerd om de geplaatste bovengrondse afleverinstallatie, betaalautomaat en prijzenbord, uiterlijk op 30 november 2017 te verwijderen.
- [appellante] heeft niet aan de sommatie voldaan.
- [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen (rov. 3.2.).
- Er is geen door partijen ondertekende schriftelijke huurovereenkomst (rov. 3.8.).
- Uit de gestelde feiten en omstandigheden kan niet worden afgeleid dat [appellante] in 2011 de exploitatie van het brandstoffenverkooppunt van [geïntimeerde 2] heeft overgenomen, laat staan dat met betrekking tot het brandstoffenverkooppunt een huurovereenkomst tot stand is gekomen tussen [geïntimeerde 2] en [appellante] (rov. 3.9).
- Tussen de partijen is in 2011 dus de leveringsovereenkomst blijven voortbestaan. Die leveringsovereenkomst kan worden opgezegd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben de leveringsovereenkomst inmiddels opgezegd. [appellante] moet de locatie dus ontruimen. Aan [appellante] moet een termijn van drie maanden na betekening van het vonnis gegund worden om de locatie te ontruimen (rov. 3.10.).
- [appellante] veroordeeld om binnen drie maanden na betekening van het vonnis de bovengrondse afleverinstallatie voor brandstoffen aan de [adres] te [plaats 1] , de aldaar aanwezige betaalautomaat en het prijzenbord te verwijderen en verwijderd te houden;
- [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] een dwangsom te betalen van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [appellante] niet aan de hiervoor genoemde veroordeling voldoet, met bepaling dat boven een bedrag van € 50.000,-- geen verdere dwangsommen worden verbeurd;
- [appellante] in de proceskosten veroordeeld;
- het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
- een bedrag ter zake de inkoop van de brandstof (de inkoop door [geïntimeerde 2] bij [appellante] , niet de inkoop door [appellante] voor een lager bedrag bij haar leverancier);
- een bedrag ter zake bepaalde exploitatiekosten.