ECLI:NL:GHSHE:2018:2843

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 juli 2018
Publicatiedatum
5 juli 2018
Zaaknummer
200.231.822_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 lid 2 WGBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen beschikking griffierecht

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarbij hij niet-ontvankelijk werd verklaard in het verzet tegen het in rekening gebrachte griffierecht. Het hof heeft bij de mondelinge behandeling vastgesteld dat appellant zich vergist had in de procedure en dat tegen een dergelijke beschikking geen hoger beroep openstaat volgens artikel 29 lid 2 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (WGBZ).

De Griffier heeft verzocht appellant niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Ondanks de waarschuwing en de uitleg door het hof heeft appellant de zaak niet ingetrokken en verzocht om uitspraak.

Het hof overweegt dat de wettelijke regeling geen ruimte laat voor hoger beroep tegen een beslissing die inhoudt een verklaring van niet-ontvankelijkheid, en dat geen redenen zijn aangevoerd om hiervan af te wijken. Daarom verklaart het hof appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak : 5 juli 2018
Zaaknummer : 200.231.822/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/326773 / EX RK 17-170
in de zaak in hoger beroep ex artikel 29 WGBZ Pro van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
tegen
de Griffier van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch,
hierna te noemen; de Griffier.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 december 2017.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift, binnengekomen ter griffie van dit hof op 9 januari 2018, is [appellant] in beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 december 2017 waarbij [appellant] niet-ontvankelijk is verklaard in het door hem ingestelde verzet tegen het door de griffier van voernoemde rechtbank in de hoofdzaak met zaaknummer C/01/323845 KG Za 17-473 in rekening gebrachte griffierecht .
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van dit hof op 30 april 2018 heeft de Griffier verzocht [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
2.3.
De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 20 juni 2018. Bij die gelegenheid is [appellant] gehoord. De Griffier is, met bericht van verhindering, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.
2.4.
[appellant] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, ook nadat hem door het hof was medegedeeld dat er tegen een dergelijke beslissing van de rechtbank geen beroep open staat en hij, mede naar aanleiding van die mededeling tot de conclusie was gekomen dat hij een tweetal juridische procedures met elkaar had verward in die zin dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij thans in een andere procedure zou worden gehoord, de zaak niet ingetrokken en het hof verzocht om evenzogoed uitspraak te doen.
2.5.
Het hof overweegt dat artikel 29 lid 2 WGBZ Pro stelt dat er geen hogere voorziening is toegelaten tegen een gerechtelijke beslissing zoals de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 december 2017 waartegen [appellant] thans is hoger beroep wenst te komen.
Redenen om van deze wettelijke regeling niettemin af te wijken zijn niet aangevoerd. Dit brengt mee dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in dit door hem ingestelde hoger beroep.

3.De uitspraak

Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, R.R.M. de Moor en M. Pannevis en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018.