ECLI:NL:GHSHE:2018:2861
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering negatief loon en heffingsrente aanslag inkomstenbelasting 2011
Belanghebbende was voorzitter van de Raad van Bestuur van een stichting en had een geschil over de beëindiging van zijn arbeidsrelatie en de uitbetaling van niet opgenomen verlof en terugbetaling van ten onrechte genoten vergoedingen. In 2011 nam hij een negatief loonbedrag van €6.514 op in zijn aangifte inkomstenbelasting, gebaseerd op een arbitraal vonnis dat later door een vaststellingsovereenkomst werd ingetrokken.
De Inspecteur weigerde dit negatieve loon in aanmerking te nemen omdat belanghebbende in 2011 geen betalingen had verricht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Tijdens de zitting bevestigde het hof dat negatief loon alleen in het jaar van betaling kan worden meegenomen, en omdat geen betaling had plaatsgevonden, was de aftrek niet toegestaan.
Daarnaast werd de heffingsrente opgelegd conform de wettelijke bepalingen. Belanghebbende stelde dat de vertraging niet aan hem te wijten was, maar het hof oordeelde dat de Inspecteur terecht geen matiging toepaste omdat er geen sprake was van onrechtmatig bestuur. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.