Belanghebbende exploiteert een uitzendbureau dat Poolse arbeidskrachten via uitzendovereenkomsten zonder uitzendbeding beschikbaar stelt aan agrarische bedrijven. De arbeidsovereenkomsten bevatten tegenstrijdige bepalingen over arbeidsduur, waardoor niet eenduidig vaststaat hoeveel uren per week worden gewerkt. Dit leidde tot toepassing van het lage premiepercentage Werkloosheidswet (WW), terwijl het hoge premiepercentage van toepassing had moeten zijn.
De inspecties op basis van de NEN 4400-1 norm concludeerden dat de arbeidsovereenkomsten feitelijk het karakter van oproepcontracten hebben, waarbij werknemers cyclisch werken en zelf bepalen wanneer zij terugkeren. Het College van Beroep Stichting Normering Arbeid oordeelde dat belanghebbende niet gerechtigd was het lage premiepercentage toe te passen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof overweegt dat de arbeidsovereenkomsten niet voldoen aan de criteria van artikel 2.3 van het Besluit Wfsv, omdat de omvang van de arbeid niet eenduidig is vastgelegd en de overeenkomsten gekunsteld zijn opgezet om het lage premiepercentage te verkrijgen. Tevens is de opgelegde boete wegens (voorwaardelijk) opzet terecht, aangezien belanghebbende geen pleitbaar standpunt had.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.