In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 23 augustus 2018 uitspraak gedaan in hoger beroep van een appellant die in eerste aanleg was veroordeeld tot een schuldsaneringsregeling. De rechtbank Limburg had op 26 juni 2018 geoordeeld dat de appellant toerekenbaar tekortgeschoten was in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Het hof constateerde dat het beroepschrift van de appellant geen inhoudelijke beroepsgronden bevatte, wat in strijd is met artikel 359 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hoewel de appellant had aangegeven tegen de oordelen van de rechtbank in beroep te gaan, ontbrak in zijn beroepschrift elke feitelijke onderbouwing van de grieven. Het hof oordeelde dat de appellant niet-ontvankelijk was in zijn hoger beroep, omdat hij niet had voldaan aan de vereisten voor het indienen van een beroepschrift. Het hof merkte op dat zelfs als de appellant ontvankelijk zou zijn geweest, zijn beroep afgewezen zou zijn, gezien zijn aanhoudende tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. De appellant had niet voldoende gesolliciteerd en had zijn bewindvoerder niet tijdig geïnformeerd over zijn persoonlijke omstandigheden. Het hof concludeerde dat de appellant niet in aanmerking kwam voor een verlenging van de schuldsaneringsregeling.