ECLI:NL:GHSHE:2018:3638

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 augustus 2018
Publicatiedatum
31 augustus 2018
Zaaknummer
200.219.313_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep omgangsregeling en kinderalimentatie tussen ouders

In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen een beschikking van de rechtbank Limburg inzake een omgangsregeling en kinderalimentatie voor een minderjarige. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen de regeling omtrent het halen en brengen van het kind en de hoogte van de kinderalimentatie.

Het hof bevestigt dat de omgangsregeling inhoudt dat het kind eenmaal per veertien dagen en tijdens de helft van vakanties en feestdagen bij de man verblijft. De vrouw wenst dat het halen en brengen tussen haar en de man wordt verdeeld, waarbij de man het kind bij de vrouw ophaalt aan het begin van de omgang en de vrouw het kind weer ophaalt aan het einde. Het hof volgt dit verzoek en legt deze regeling vast.

Ten aanzien van de kinderalimentatie oordeelt het hof dat de rechtbank terecht is uitgegaan van het inkomen van de man in 2016, de ingangsdatum van de alimentatie. De vrouw had gerekend met het inkomen uit 2017, wat tot een hogere draagkracht leidde. Ook acht het hof de aflossing van een huwelijkse schuld van 100 euro per maand terecht meegenomen in de draagkrachtberekening. Een nieuwe grief over het niet meenemen van woonlasten wordt afgewezen wegens strijd met de twee-conclusieregel.

De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor het deel van het halen en brengen en op dat punt opnieuw vastgesteld. Voor het overige, inclusief de kinderalimentatie van 25 euro per maand, wordt de beschikking bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijzigt de omgangsregeling voor het halen en brengen en bekrachtigt de kinderalimentatie van 25 euro per maand vanaf 2016.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.219.313/01
zaaknummer rechtbank : C/03/220482/ FA RK 16-1558
beschikking van de meervoudige kamer van 30 augustus 2018
inzake
[verzoekster in hoger beroep],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht,
tegen
[verweerder in hoger beroep],
wonende te [woonplaats]
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen te Venlo.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 19 mei 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De vrouw is op 10 juli 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 19 mei 2017.
2.2.
De man heeft op 28 augustus 2017 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het V-formulier d.d. 23 juli 2018 van de advocaat van de man, met bijlagen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 24 juli 2018 plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vrouw, bijgestaan door mr. Beijersbergen van Henegouwen;
- mr. Van Heerd, waarnemend voor mr. Theeuwen-Verkoeijen.
De man was niet aanwezig en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Heerd.

3.De feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
3.3.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011 (hierna: [minderjarige] ).
De man heeft [minderjarige] erkend en de vrouw heeft het gezag over [minderjarige] .

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking is, voor zover thans van belang een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] bepaald inhoudende dat [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van zaterdag tot zondag alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de man zal verblijven, in onderling overleg tussen partijen nader te bepalen, waarbij de man zich ervoor inspant om oma vaderszijde zo vaak als mogelijk [minderjarige] te laten ophalen bij de vrouw, voor het overige zal [minderjarige] door de man worden opgehaald bij het station [plaats] . De vrouw zal [minderjarige] op zondag bij de man ophalen.
Verder is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 29 april 2016 bepaald op € 25,- per maand. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.2.
De grieven van de vrouw hebben betrekking op het halen en brengen in het kader van de omgangsregeling en op de (hoogte van) de kinderalimentatie.
De vrouw heeft verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft het halen en brengen en de kinderalimentatie, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het halen en brengen tussen de man en de vrouw zal worden verdeeld, waarbij de man zal zorgdragen voor het ophalen van [minderjarige] bij de vrouw aan het begin van de omgang en de vrouw zal zorgdragen voor het ophalen van [minderjarige] aan het einde van de omgang en te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 29 april 2016 kinderalimentatie dient te voldoen ad € 95,- per maand, zo begrijpt het hof, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
4.3.
De man heeft verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Omgang
5.1.
Ter zitting heeft de vrouw toegelicht dat de man [minderjarige] inmiddels in het kader van de omgangsregeling bij de vrouw ophaalt en dat de vrouw [minderjarige] weer ophaalt bij de man. De vrouw wenst deze regeling vastgelegd te zien in een beschikking. Mr. Van Heerd kan daarmee instemmen, met de kanttekening dat een omgangregeling nooit statisch is. Het hof kan die constatering van mr. Van Heerd onderschrijven. Partijen kunnen in onderling overleg, indien in de toekomst de omstandigheden wijzigen, afwijkende afspraken over de omgang maken of, als dat niet lukt, om een wijziging verzoeken in geval van een wijziging van omstandigheden.
Het hof zal bepalen zoals door de vrouw verzocht.
Kinderalimentatie
5.2.
De vrouw heeft in haar grieven met betrekking tot de kinderalimentatie, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank de draagkracht van de man niet juist heeft bepaald. De rechtbank is van een onjuist inkomen uitgegaan en heeft ten onrechte rekening gehouden met een aflossing op een schuld.
De man heeft verweer gevoerd.
5.3.
Het hof is van oordeel dat de grieven van de vrouw die zien op de kinderalimentatie niet slagen.
Ter zitting heeft de vrouw erkend dat zij met het inkomen van de man uit 2017 heeft gerekend, terwijl vaststaat dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie in 2016 ligt. Dat is de reden dat de vrouw op een wat hogere draagkracht is uitgekomen dan waar de rechtbank rekening mee heeft gehouden.
Verder is het hof van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met de door de man opgevoerde aflossing op een schuld. Het betreft een huwelijkse schuld en het valt de man gelet op de hoogte van zijn inkomen niet te verwijten dat hij, anders dan de vrouw, niet in staat is om de schuld af te kopen. De aflossing van
€ 100,- per maand wordt bovendien niet langer betwist.
De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep nog een nieuwe grief geformuleerd, inhoudende dat er geen rekening dient te worden gehouden met een woonlast aan de zijde van de man, omdat hij bij zijn moeder woont en geen woonlast heeft. Wat er ook zij van deze - overigens betwiste - stelling, het hof zal deze grief terzijde stellen. De grief is immers in strijd met de zogeheten twee-conclusieregel pas ter zitting in hoger beroep aangevoerd, terwijl namens de man ter zitting dienaangaande is opgemerkt dat hij daardoor niet in staat is de relevante antwoorden te kunnen geven.
Conclusie
5.4.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd voor zover het het halen en brengen in het kader van de omgangsregeling betreft. Het hof zal op dit punt bepalen zoals in het dictum weergegeven. De beschikking zal voor het overige worden bekrachtigd.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 19 mei 2017, uitsluitend voor zover het betreft het halen en brengen in het kader van de omgangsregeling, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man zal zorgdragen voor het ophalen van [minderjarige] bij de vrouw aan het begin van de omgang en dat de vrouw zal zorgdragen voor het ophalen van [minderjarige] aan het einde van de omgang;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.N.M. Antens en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen bijgestaan door de griffier, en is op 30 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.