ECLI:NL:GHSHE:2018:3638
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep omgangsregeling en kinderalimentatie tussen ouders
In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen een beschikking van de rechtbank Limburg inzake een omgangsregeling en kinderalimentatie voor een minderjarige. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen de regeling omtrent het halen en brengen van het kind en de hoogte van de kinderalimentatie.
Het hof bevestigt dat de omgangsregeling inhoudt dat het kind eenmaal per veertien dagen en tijdens de helft van vakanties en feestdagen bij de man verblijft. De vrouw wenst dat het halen en brengen tussen haar en de man wordt verdeeld, waarbij de man het kind bij de vrouw ophaalt aan het begin van de omgang en de vrouw het kind weer ophaalt aan het einde. Het hof volgt dit verzoek en legt deze regeling vast.
Ten aanzien van de kinderalimentatie oordeelt het hof dat de rechtbank terecht is uitgegaan van het inkomen van de man in 2016, de ingangsdatum van de alimentatie. De vrouw had gerekend met het inkomen uit 2017, wat tot een hogere draagkracht leidde. Ook acht het hof de aflossing van een huwelijkse schuld van 100 euro per maand terecht meegenomen in de draagkrachtberekening. Een nieuwe grief over het niet meenemen van woonlasten wordt afgewezen wegens strijd met de twee-conclusieregel.
De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor het deel van het halen en brengen en op dat punt opnieuw vastgesteld. Voor het overige, inclusief de kinderalimentatie van 25 euro per maand, wordt de beschikking bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijzigt de omgangsregeling voor het halen en brengen en bekrachtigt de kinderalimentatie van 25 euro per maand vanaf 2016.