Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/302351 / HA ZA 16-5)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met productie;
- de memorie van antwoord;
- de akte overlegging producties met toelichting van de man;
- de antwoordakte tevens akte overlegging producties van de vrouw.
3.De beoordeling
vrouw, samengevat:
manheeft de vorderingen weersproken. Hij is niet in staat de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan omdat alleen de bank dit kan doen. Hij zal hiertoe een verzoek indienen bij de bank.
tussenvonnis van 7 december 2016heeft de rechtbank geoordeeld dat niet van de vrouw kan worden gevergd dat het appartement onverdeeld blijft en zij hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypothecaire geldlening. De man is daarom volgens de rechtbank verplicht zich tot het uiterste in te spannen om haar te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De man is daarom in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over zijn daartoe bij de bank in te dienen verzoek en de reactie daarop van de bank.
eindvonnis van 15 februari 2017heeft de rechtbank vastgesteld dat de man geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om voornoemde akte te nemen. De rechtbank is er daarom van uit gegaan dat medewerking van de man aan ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet (meer) aan de orde is. De vrouw heeft gesteld dat zij thans toewijzing van haar subsidiaire vorderingen wenst. Die vorderingen zijn door de rechtbank toegewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd.
manheeft tijdig hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen althans deze af te wijzen en daarbij te bepalen dat bij de saldiverrekening het aandeel van de man moet worden vermeerderd met € 19.655,--. Ten slotte heeft hij veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties gevorderd.
rechtbankheeft de vordering van de vrouw tot verkoop van het appartement toegewezen en daartoe in rov. 2.2. overwogen:
manrichten zich tegen dit oordeel. Ter onderbouwing van zijn grieven voert de man het volgende aan. Partijen zijn overeengekomen dat de woning aan hem zal worden toegedeeld en dat hij ook de daaraan verbonden hypothecaire verplichtingen zal nakomen. Sprake is van een aflossingsvrije hypotheek en de rente wordt steeds stipt door hem aan de bank voldaan. De vrouw wordt dus niet benadeeld en heeft daarom geen (relevant) belang bij verkoop van het appartement.
vrouwvoert hiertegen het volgende aan. Van haar kan niet worden gevergd dat het appartement (feitelijk) onverdeeld blijft en zij hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypothecaire geldlening voor een appartement waarvan zij geen genot heeft. Zij ondervindt hinder van deze hoofdelijke verbondenheid ongeacht of de man de hypothecaire lasten voldoet; zij heeft medische klachten door de afwikkeling van de verdeling, de bank kan de gehele hypothecaire geldlening bij haar opeisen en zij is beperkt in het kopen van een woning. Bovendien kan zij door deze kwestie niet worden toegelaten tot de schuldhulpverlening geleid tot medische klachten voor de vrouw
hofoordeelt als volgt.
rechtbankheeft onder 3.1.3. van het dictum geoordeeld:
manvoert ter onderbouwing van zijn grief het volgende aan. Bij een saldoverdeling is de overwaarde reeds verdeeld, omdat de man anders het bedrag twee keer aan de vrouw zou voldoen. De man legt een bankafschrift over waaruit volgt dat hij op 25 november 2011 € 5.000,-- aan de vrouw heeft voldaan. De vordering van de vrouw moet met dit bedrag moet worden verminderd.
vrouwvoert hiertegen het volgende aan.
hofoordeelt als volgt.