ECLI:NL:GHSHE:2018:371
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende nakoming
De appellant verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van ruim €170.000. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant niet te goeder trouw was geweest in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, onder meer doordat hij ruim anderhalf jaar onvindbaar was voor schuldeisers en onvoldoende inspanningen had verricht om zijn schulden te betalen of te verminderen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij onvindbaarheid niet opzettelijk had veroorzaakt, dat hij sinds het staken van zijn onderneming in loondienst was getreden en dat hij zich inspande om zijn schulden af te lossen. Tevens stelde hij dat hij psychosociale problemen had die zijn situatie bemoeilijkten en dat hij de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro inroept.
Het hof oordeelde dat appellant zijn vindbaarheid voor schuldeisers door het niet tijdig aanpassen van zijn adresgegevens aanzienlijk had bemoeilijkt en dat hij onvoldoende pogingen had gedaan om zijn arbeidstijd te vergroten en zo meer inkomsten te genereren. Ook achtte het hof de psychosociale problematiek niet voldoende beheersbaar omdat geen overtuigende bewijsstukken waren overgelegd. Het beroep op de hardheidsclausule faalde omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de omstandigheden die tot zijn schulden leidden onder controle had gekregen.
Daarom bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van goede trouw en onvoldoende aannemelijkheid van nakoming.