Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.vennootschap onder firma [de VOF] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[vennoot van de VOF 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[vennoot van de VOF 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 16-2092)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven in principaal hoger beroep, met negen producties;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep;
- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.
3.De beoordeling
- Volgens het als productie 1 bij de conclusie van antwoord in conventie overgelegde kadastrale uittreksel behoort de in dit geding aan de orde zijnde winkelruimte aan het [adres 1] te [vestigingsplaats] in eigendom voor 1/2e deel toe aan [appellante 1] , voor 1/4e deel aan [appellante 2] en voor 1/4e deel aan de ex-echtgenoot van [appellante 2] , dhr. [ex-echtgenoot van appellante 2] .
- De winkelruimte is bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 lid 2 sub a BW Pro.
- [de VOF] heeft de bedrijfsruimte bij huurovereenkomst van 19 april 1999 gehuurd van de toenmalige eigenaar. De huur is aangegaan voor de duur van 10 jaar, ingaande op 1 augustus 1999 en lopende tot en met 31 juli 2009.
- Volgens de huurovereenkomst mag het gehuurde uitsluitend worden gebruikt als winkelruimte voor het uitoefenen van een slagerij. [de VOF] exploiteert een slagerij in het gehuurde.
- Ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst had [de VOF] drie vennoten: [vennoot van de VOF 1] en zijn ouders.
- Na 31 juli 2009 is de huurovereenkomst op grond van artikel 3.2 van de huurovereenkomst voortgezet voor een aansluitende periode van 5 jaar, lopende tot en met 31 juli 2014. Daarna is de huurovereenkomst telkens voortgezet voor aansluitende perioden van 1 jaar.
- [de VOF] heeft inmiddels twee vennoten: [vennoot van de VOF 1] en [vennoot van de VOF 2] (naar het hof begrijpt: de echtgenote van [vennoot van de VOF 1] ). De ouders van [vennoot van de VOF 1] zijn uit de vof getreden.
- Naast het gehuurde ligt een bedrijfsruimte die eveneens eigendom is van [appellante 1] , [appellante 2] en [ex-echtgenoot van appellante 2] . Deze bedrijfsruimte, gelegen aan het [adres 2] en [adres 3] , werd in 1999, toen [de VOF] de bedrijfsruimte aan het [adres 1] ging huren, verhuurd aan supermarktketen [supermarkt 1] .
- De huurovereenkomst met [supermarkt 1] is inmiddels beëindigd. Supermarktketen [supermarkt 2] is de bedrijfsruimte aan het [adres 2] en [adres 3] gaan huren en is in april 2015 in het gehuurde getrokken.
- [supermarkt 2] heeft in 2014 aan [appellante 1] en [appellante 2] kenbaar gemaakt grote behoefte te hebben aan uitbreiding van de voor de supermarkt beschikbare ruimte. [ex-echtgenoot van appellante 2] heeft vervolgens namens [appellante 1] en [appellante 2] bij e-mail van 17 december 2014 aan [de VOF] meegedeeld dat de supermarkt graag ook de aan [de VOF] verhuurde winkelruimte wil huren. [ex-echtgenoot van appellante 2] heeft in deze e-mail een voorstel gedaan voor beëindiging van de huurovereenkomst met [de VOF] . [de VOF] heeft niet met dat voorstel ingestemd.
- [vastgoedmanager van supermarkt 2] , vastgoedmanager van [supermarkt 2] , heeft begin 2015 onderhandeld met [de VOF] over voorwaarden waaronder [de VOF] mogelijk bereid zou zijn om in te stemmen met beëindiging van de huurovereenkomst voor de aan [de VOF] verhuurde bedrijfsruimte. Daarover is geen overeenstemming bereikt.
- Bij aangetekende brief van 23 juli 2015 heeft de advocaat van [appellante 1] en [appellante 2] aan [de VOF] onder meer het volgende meegedeeld:
- bepaling (op de voet van artikel 7:295 lid 2 BW Pro) dat de huurovereenkomst eindigt op 31 juli 2016, althans op een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen tijdstip;
- bepaling (op de voet van artikel 7:296 lid 5 BW Pro) dat het gehuurde op het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt, op correcte wijze dient te zijn ontruimd;
- De ouders van [vennoot van de VOF 1] maken geen deel meer uit van [de VOF] . Als gedaagde partijen in deze procedure dienen te worden aangemerkt [de VOF] , [vennoot van de VOF 1] en [vennoot van de VOF 2] . [appellante 1] en [appellante 2] dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen voor zover gericht tegen de ouders van [vennoot van de VOF 1] (rov. 4.4).
- Een redelijke afweging van de belangen van [appellante 1] en [appellante 2] bij beëindiging van de huurovereenkomst tegen die van [de VOF] bij verlenging van de huurovereenkomst valt in dit geval niet uit in het voordeel van [appellante 1] en [appellante 2] . Van [de VOF] kan daarom niet worden gevergd dat zij het gehuurde ontruimt (rov. 4.6).
- Omdat de voorwaarde waaronder de eis in reconventie is ingesteld niet vervuld is, moet de eis in reconventie worden afgewezen (rov. 4.8).
- Omdat de partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, moeten de proceskosten tussen hen gecompenseerd worden in die zin dat elke partij de eigen kosten moet dragen (rov. 4.9).
- [appellante 1] en [appellante 2] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen in conventie voor zover ingesteld tegen de ouders van [vennoot van de VOF 1] ;
- de vorderingen van [appellante 1] en [appellante 2] in conventie afgewezen voor zover ingesteld tegen [de VOF] , [vennoot van de VOF 1] en [vennoot van de VOF 2] ;
- de vorderingen van [geïntimeerden c.s.] in reconventie afgewezen;
- de proceskosten in conventie en in reconventie gecompenseerd tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen kosten diende te dragen.
- de afwijzing van de vorderingen van [appellante 1] en [appellante 2] in conventie voor zover ingesteld tegen [geïntimeerden c.s.] ;
- de compensatie van de proceskosten in voorwaardelijke reconventie.
- de niet-ontvankelijkverklaring van [appellante 1] en [appellante 2] in hun vorderingen voor zover gericht tegen de ouders van [vennoot van de VOF 1] ;
- de afwijzing van de vordering in reconventie (de daartegen ingestelde grief 1 in incidenteel hoger beroep is niet aan de orde gekomen).
4.De uitspraak
- de afwijzing van de vorderingen van [appellante 1] en [appellante 2] in conventie voor zover ingesteld tegen [vennoot van de VOF 1] c.s.;
- de compensatie van de proceskosten in reconventie;