Uitspraak
belanghebbendenworden aangemerkt:
informantwordt aangemerkt:
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de pleegouders;
- de vader.
- de brief van de raad van 29 augustus 2018 waarin de raad aangeeft niet ter zitting te verschijnen;
- de brief van de GI van 5 september 2018 met bijlagen.
3.De beoordeling
- de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd van 30 mei 2018 tot 30 mei 2019;
- een machtiging verleend (hof: bedoeld zal zijn ‘verlengd’) tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg van 30 mei 2018 tot uiterlijk 30 mei 2019;
- het verzoek van de moeder tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing van 16 maart 2018, afgewezen.
- Wat zijn de mogelijkheden van de moeder tot het zelf opvoeden van [de minderjarige] ?
- Heeft de moeder daarbij, indien zij tot het zelf opvoeden van [de minderjarige] in staat is, specifieke hulpverlening nodig en zo ja, welke?
- Wat zijn de specifieke opvoedbehoeften van [de minderjarige] ?
- Waar ligt het opvoedperspectief van [de minderjarige] ?
- Welke contactregeling zou passend zijn voor de ouders, in het geval het perspectief van [de minderjarige] niet thuis wordt gezien?
Juridisch kader verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing
Omvang van het geschil
- Primairverzoekt zij dat er binnen deze vier maanden een onafhankelijk onderzoek wordt verricht naar haar mogelijkheden om zelf de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen: hiervoor acht de moeder het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing doorlopen en in zoverre stemt zij in met een verlenging van beide kinderbeschermingsmaatregelen.
- Subsidiairverzoekt de moeder, indien het hof haar verzoek om een deskundigenonderzoek afwijst, om beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing over vier maanden zodat [de minderjarige] in januari 2019 bij haar thuis wordt geplaatst. De moeder kan er in dat geval, in beginsel, mee instemmen indien de ondertoezichtstelling voor de volledige termijn waarvoor hij is verlengd, zijnde één jaar, van kracht blijft. Om formele redenen wenst zij echter haar grieven tegen de (duur van de) ondertoezichtstelling te handhaven, omdat zij anders vreest dat haar verzoek om een deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a Rv zal worden afgewezen, nu dit artikel – in haar optiek – slechts ziet op situaties waarin een ondertoezichtstelling van kracht is. Het hof geeft de moeder mee dat dit wellicht een onjuiste opvatting is, nu de uithuisplaatsing voortvloeit uit de ondertoezichtstelling en artikel 810a Rv lid 2 ook van toepassing is indien een deskundigenonderzoek wordt gelast in een situatie waarin er sprake is van een uithuisplaatsing en een ondertoezichtstelling, maar waarbij de ondertoezichtstelling niet wordt aangevochten.
Verzoek tot deskundigenonderzoek artikel 810a lid 2 Rv