Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 8 november 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de comparitie van 29 november 2016;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met een productie;
- de akte van [appellant] met een productie en een eiswijziging;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] .
6.De beoordeling
- [appellant] houdt zich onder de naam [handelsnaam] bezig met dienstverlening aan ondernemers, onder meer bestaande uit het onderhouden van een advertentie-systeem.
- [geïntimeerde] is van 20 februari 2004 tot 6 december 2011 (naar het hof begrijpt: samen met een familielid) vennoot geweest van een vennootschap onder firma met de naam [V.O.F.] V.O.F. In die vof was tot 6 december 2011 de exploitatie van een [onderneming] -vestiging te [plaats] ondergebracht.
- De twee vennoten van de vof zijn op 6 december 2011 uit de vof getreden en hebben de door hen gedreven onderneming vervolgens voortgezet in een bv, waarvan [geïntimeerde] toen directeur is geworden.
- [appellant] heeft in het geding bij de rechtbank een kopie overgelegd van een overeenkomst met als kop: “
- € 1.000,-- ter zake contractuele boete;
- € 25.000,-- ter zake gederfde winst;
- Bij het sluiten van de overeenkomst was de wil van beide partijen erop gericht een overeenkomst tot stand te brengen tussen [appellant] en de rechtspersoon waarin de exploitatie van de [onderneming] vestiging te [plaats] was ondergebracht. Uitgangspunt is dus dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen [appellant] en [geïntimeerde] (rov. 4.3).
- Kennelijk abusievelijk is [V.O.F.] V.O.F. als contractspartij in de overeenkomst genoemd, terwijl de [onderneming] vestiging destijds werd geëxploiteerd door een bv. Dit kan echter niet leiden tot gebondenheid van [geïntimeerde] aan de overeenkomst (rov. 4.4).
- [geïntimeerde] is dus geen partij bij de overeenkomst. Er is daarom geen sprake van een toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van de overeenkomst (rov. 4.5).
- Omdat [geïntimeerde] geen partij is bij de overeenkomst, kan ook geen sprake zijn van een onrechtmatige contractbreuk door [geïntimeerde] (rov. 4.6).
- € 1.000,-- ter zake contractuele boete;
- “de door appellant geleden schade, welke schade nader zal worden onderbouwd door een nog nader te overleggen deskundigenrapportage”;
- € 1.000,-- ter zake contractuele boete;
- € 31.818,-- ter zake door [appellant] gederfde winst;
na 24 maanden of binnen dit termijn”. Dit beding moet naar het oordeel van het hof worden gekwalificeerd als een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW Pro, waarbij de boete is gesteld op het niet gedurende de overeengekomen periode uitdienen van de overeenkomst. [handelsnaam] heeft de stelling van [geïntimeerde] dat het beding een boetebeding is, niet betwist.
- dat hij geen vennoot meer was van de vof, en
- dat de exploitatie van de [onderneming] -vestiging inmiddels was ondergebracht in een bv.