Uitspraak
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met het procesdossier van de eerste aanleg.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant heeft verzet ingesteld tegen een verstekvonnis uit 1997 waarin hij veroordeeld werd tot betaling van een geldlening. Het verzet werd ingesteld in 2016, ruim na de wettelijke termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis.
De rechtbank verklaarde appellant niet-ontvankelijk omdat het verzet te laat was ingesteld en er geen strijd was met artikel 6 EVRM Pro. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet tijdig op de hoogte was van het vonnis en de tenuitvoerlegging, mede omdat het beslag op de bankrekening van zijn overleden echtgenote was gelegd en hij vaak in het buitenland verbleef.
Het hof oordeelde dat het vonnis niet in persoon was betekend, maar dat appellant wel tijdig kennis had kunnen nemen van het vonnis na toezending in januari 2016. Omdat het verzet pas in maart 2016 was ingesteld, was de termijn overschreden. De uitzonderingsgrond van artikel 6 EVRM Pro was niet van toepassing omdat niet aan alle voorwaarden was voldaan. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet wegens overschrijding van de verzettermijn; het vonnis van de rechtbank is bekrachtigd.