In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep behandeld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarin een bewind is ingesteld over de goederen van de rechthebbende. De onderbewindstelling is ingesteld vanwege een lichamelijke of geestelijke toestand en problematische schulden.
De rechthebbende verzet zich tegen de onderbewindstelling en wenst zelf zijn financiën te beheren, eventueel met een tussentraject om zijn bekwaamheid aan te tonen. Hij stelt dat er geen sprake is van oplopende schulden en dat hij nog een bedrag van €25.000 tegoed heeft van de vorige bewindvoerder.
De bewindvoerder betoogt dat de onderbewindstelling noodzakelijk is omdat de rechthebbende zijn vaste lasten niet zal kunnen voldoen indien het bewind wordt opgeheven. Er is een schuldenlast van bijna €20.000, en de rechthebbende heeft leefgeld ontvangen dat binnen twee weken op was, waarna hij geld leende van medebewoners. Ook vraagt hij regelmatig extra geld aan voor bepaalde zaken.
Het hof oordeelt dat aan de wettelijke gronden voor onderbewindstelling is voldaan. De zorg van de bewindvoerder wordt gedeeld en de vordering op de vorige bewindvoerder is niet vastgesteld. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en verzoekt om aantekening in het Curatele- en bewindregister.