ECLI:NL:GHSHE:2018:4318

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 oktober 2018
Publicatiedatum
18 oktober 2018
Zaaknummer
200.233.639_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:391 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging onderbewindstelling wegens problematische schulden en onvermogen financiële belangen te behartigen

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep behandeld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarin een bewind is ingesteld over de goederen van de rechthebbende. De onderbewindstelling is ingesteld vanwege een lichamelijke of geestelijke toestand en problematische schulden.

De rechthebbende verzet zich tegen de onderbewindstelling en wenst zelf zijn financiën te beheren, eventueel met een tussentraject om zijn bekwaamheid aan te tonen. Hij stelt dat er geen sprake is van oplopende schulden en dat hij nog een bedrag van €25.000 tegoed heeft van de vorige bewindvoerder.

De bewindvoerder betoogt dat de onderbewindstelling noodzakelijk is omdat de rechthebbende zijn vaste lasten niet zal kunnen voldoen indien het bewind wordt opgeheven. Er is een schuldenlast van bijna €20.000, en de rechthebbende heeft leefgeld ontvangen dat binnen twee weken op was, waarna hij geld leende van medebewoners. Ook vraagt hij regelmatig extra geld aan voor bepaalde zaken.

Het hof oordeelt dat aan de wettelijke gronden voor onderbewindstelling is voldaan. De zorg van de bewindvoerder wordt gedeeld en de vordering op de vorige bewindvoerder is niet vastgesteld. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en verzoekt om aantekening in het Curatele- en bewindregister.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de onderbewindstelling en wijst het verzoek tot opheffing af.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 18 oktober 2018
Zaaknummer: 200.233.639/01
Zaaknummer eerste aanleg: 5550788 BM VERZ 16-6597
in de zaak in hoger beroep van:
[rechthebbende],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. M.A.W. Ketelaars.
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
- Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Oost-Brabant, verzoeker in eerste aanleg (hierna te noemen: GGZ);
- Bewindvoerderskantoor [bewindvoerderskantoor] B.V. (hierna te noemen: de bewindvoerder);
- mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder);
- de heer [halfbroer van appellant] , halfbroer van appellant (hierna te noemen: [halfbroer van appellant] );
- mevrouw [halfzus van appellant 1] , halfzus van appellant (hierna te noemen: [halfzus van appellant 1] );
- mevrouw [halfzus van appellant 2] , halfzus van appellant (hierna te noemen: [halfzus van appellant 2] );
- mevrouw [halfzus van appellant 3] , halfzus van appellant (hierna te noemen: [halfzus van appellant 3] ).

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 november 2017.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 februari 2018, heeft de rechthebbende verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek af te wijzen.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen
.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 september 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de rechthebbende, bijgestaan door mr. Ketelaars;
  • de bewindvoerder, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger namens de bewindvoerder] .
De moeder, [halfzus van appellant 1] , [halfzus van appellant 2] , [halfzus van appellant 3] en GGZ zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. [halfbroer van appellant] is niet opgeroepen omdat hij niet voorkwam in het BRP.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 22 augustus 2017;
  • het journaalbericht met bijlagen, ingekomen ter griffie op 9 maart 2018;
  • het ter zitting door de bewindvoerder overgelegde budgetoverzicht en schuldenoverzicht.

3.De beoordeling

3.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, kort samengevat, een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de rechthebbende wegens een lichamelijke of geestelijke toestand en Bewindvoerderskantoor [bewindvoerderskantoor] B.V. tot bewindvoerder benoemd.
3.2.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.3.
De rechthebbende voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.
Voor een onderbewindstelling bestaat geen grond. De rechthebbende wenst hieraan geen medewerking te verlenen. Hij wil zijn financiën zelf regelen, eventueel met een tussentraject om te laten zien dat hij het kan. De omvang van de schulden is onduidelijk en de rechthebbende heeft nog een bedrag tegoed van € 25.000,-- van de vorige bewindvoerder waarmee schulden kunnen worden afgelost. Van oplopende schulden is geen sprake en met schulden aan medepatiënten is de rechthebbende niet bekend. Verder vindt de rechthebbende dat hij te weinig leefgeld ontvangt.
3.4.
De bewindvoerder voert ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.
De bewindvoerder vraagt zich af of de rechthebbende zijn vaste lasten zal voldoen indien het bewind wordt opgeheven. Zodra de rechthebbende zelfstandig woont, zal schuldhulpverlening worden aangevraagd en hiervoor is de onderbewindstelling noodzakelijk.
De rechthebbende heeft zijn leefgeld een tijdlang maandelijks ontvangen, maar dit werkte niet omdat het na twee weken al op was, waarna de rechthebbende geld ging lenen van medebewoners. De rechthebbende krijgt soms extra geld voor bepaalde zaken, maar hij besteedt het dan ook wel eens ergens anders aan.
Er is voor een bedrag van € 19.299,-- aan vorderingen ingediend. Van een vordering op de vorige bewindvoerder is geen sprake.
3.5.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.5.1.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.5.2.
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat aan de gronden voor een onderbewindstelling is voldaan. Naar het hof is gebleken, is sprake van een schuldenlast van bijna € 20.000,--. De rechthebbende heeft zijn leefgeld een aantal maanden als maandbedrag ontvangen, maar maakte het dan binnen twee weken op, waarna hij geld ging lenen van medebewoners. Ook heeft de rechthebbende de bewindvoerder meerdere keren om extra geld gevraagd voor bepaalde zaken en het vervolgens aan andere zaken uitgegeven. Zo heeft de bewindvoerder de rechthebbende drie keer extra geld moeten geven voor de aanschaf van een identiteitskaart. De zorg van de bewindvoerder dat de rechthebbende zijn vaste lasten niet zal voldoen zodra hij zelfstandig woont en er geen sprake meer is van een bewind, is naar het oordeel van het hof dan ook gerechtvaardigd. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat de rechthebbende nog een vordering op de voormalige bewindvoerder heeft, zodat met die eventuele vordering geen rekening kan worden gehouden. Het hof neemt voorts in aanmerking dat, zodra de rechthebbende zelfstandig woont, schuldhulpverlening zal worden aangevraagd, waarvoor noodzakelijk is dat de goederen van de rechthebbende onder bewind zijn gesteld.
3.6.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
3.7.
Het hof zal hierna voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant in verband met aantekening in het Curatele- en bewindregister.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 november 2017;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW Pro een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant in verband met aantekening in het Curatele- en bewindregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, P.P.M. van Reijsen en M.L.F.J. Schyns, bijgestaan door de griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.