Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
6.3.6 Aftrek bij mede-eigendom
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, mede-eigenaar van een perceel grond en een daarop gebouwde woning, voerde beroep aan tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting en heffingsrente opgelegd door de Inspecteur. De Rechtbank had de aanslag verminderd, maar het hof bevestigt deze uitspraak.
Het geschil betrof vooral de omvang van de aftrekbare voorbelasting. Belanghebbende stelde recht te hebben op volledige aftrek van de voorbelasting over de bouwkosten van de woning, omdat zij en haar mede-eigenaar buiten gemeenschap van goederen waren gehuwd maar gezamenlijk de woning gebruikten. Het hof oordeelde dat de aftrek beperkt is tot het aandeel in de onverdeelde eigendom, namelijk de helft, conform jurisprudentie van het Hof van Justitie.
Daarnaast werd het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen. Een telefoongesprek waarin een medewerker van de Belastingdienst sprak over een mogelijke gunstige afwikkeling, kon niet worden opgevat als een onvoorwaardelijke toezegging, mede omdat de situatie van belanghebbende niet overeenkwam met de besproken casus.
Ten slotte werd het beroep op vermindering van de heffingsrente verworpen, omdat belanghebbende deze grieven eerder had ingetrokken en nieuwe verzoeken niet in hoger beroep kunnen worden ingebracht. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.