In deze civiele zaak staat een geschil centraal over de omvang en het gebruik van een erfdienstbaarheid ten behoeve van een inrit die toegang geeft tot een bouwperceel. [Appellant] heeft een perceel bouwgrond gekocht dat niet direct aan de openbare weg grenst, waarbij een strook grond in eigendom van [geïntimeerde] als inrit dient.
Er is een erfdienstbaarheid gevestigd die het gebruik van de inrit regelt, inclusief kostenverdeling voor onderhoud. Er ontstonden conflicten over het plaatsen van bloembakken en het parkeren op de inrit, wat leidde tot een eerdere gerechtelijke procedure en een schikking in 2009. [Appellant] vordert onder meer dat [geïntimeerde] de inrit vrijhoudt en geen zaken plaatst.
De rechtbank wees grotendeels de vorderingen van [appellant] af, behalve het verwijderen van bloembakken tot een vrije doorgang van 4,5 meter. Ook werden vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, waaronder het verwijderen van een wilg binnen de grensafstand.
In hoger beroep stelt [appellant] dat voorafgaand aan de koopovereenkomst een afspraak is gemaakt dat de inrit volledig vrij zou blijven en dat hij vrij is om de toegang te bepalen. Het hof acht deze stellingen voorlopig niet aannemelijk, maar staat bewijslevering toe door getuigen, waaronder makelaars en een zoon van appellant.
De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering over deze afspraken, waarna verdere beslissing volgt. De grief tegen de verwijderingsverplichting van de wilg faalt, omdat deze binnen de wettelijke grensafstand staat.