Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de rechthebbende, bijgestaan door mr. Van Rijsewijk;
- de bewindvoerder;
- de vader van de rechthebbende.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft het hoger beroep van de rechthebbende tegen de afwijzing van zijn verzoek tot opheffing van het onderbewind gesteld vermogen. De oorspronkelijke onderbewindstelling werd ingesteld vanwege psychiatrische problematiek en een verslaving aan khat, hoewel er destijds geen grote financiële problemen waren.
De rechthebbende heeft sindsdien met succes behandeling ondergaan en zijn psychische toestand is stabiel. Hij volgt maatschappelijk werk en heeft een cursus budgetbeheer afgerond. De bewindvoerder betoogde dat de rechthebbende nog niet in staat is zijn financiën verantwoord te beheren, mede vanwege impulsief gedrag en recente problematiek, maar het hof acht deze stelling onvoldoende onderbouwd.
Het hof concludeert dat de noodzaak van het bewind is komen te vervallen en wijst het verzoek tot opheffing toe met ingang van 1 december 2018, zodat de bewindvoerder het bewind administratief kan afwikkelen. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd.
Uitkomst: Het hof heft het bewind op met ingang van 1 december 2018 en vernietigt de beschikking van de rechtbank.