Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2018:4867

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 november 2018
Publicatiedatum
23 november 2018
Zaaknummer
20-000511-17
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 257a SvArt. 257d SvArt. 257e SvArt. 423 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid verzet strafbeschikking wegens onduidelijkheid kennisname termijn

In deze strafzaak werd het verzet tegen een strafbeschikking door de politierechter onterecht niet-ontvankelijk verklaard. De verdediging stelde dat verdachte niet persoonlijk een afschrift van de strafbeschikking had ontvangen en pas op 10 februari 2016 via het CJIB op de hoogte was gesteld.

Het hof overwoog dat de termijn voor het instellen van verzet begint te lopen vanaf het moment dat de verdachte daadwerkelijk bekend is met de schriftelijke strafbeschikking. De mondelinge aankondiging tijdens de OM-zitting op 15 september 2015 was onvoldoende om kennisname te veronderstellen, aangezien de strafbeschikking pas schriftelijk was opgemaakt op 16 september 2015.

Omdat de raadsvrouw van verdachte op 10 februari 2016 tijdig verzet had ingesteld, werd dit verzet als ontvankelijk beoordeeld. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en verwees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling van het verzet.

Deze uitspraak benadrukt het belang van correcte kennisgeving van strafbeschikkingen en de strikte toepassing van termijnen voor rechtsmiddelen, met oog voor het recht op toegang tot de rechter.

Uitkomst: Het hof verklaart het verzet ontvankelijk en verwijst de zaak terug naar de politierechter.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000511-17
Uitspraak : 12 november 2018
TEGENSPRAAK (
exart. 279 Sv Pro)

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 14 februari 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-087578-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzet tegen de strafbeschikking alsnog ontvankelijk moet worden verklaard en dat de zaak - na vernietiging van het vonnis - moet worden teruggewezen naar de rechtbank Oost-Brabant.
Overwegingen
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte nimmer heeft getekend voor akkoord met een strafbeschikking en dat tijdens de OM-zitting op 15 september 2017 een afschrift van de strafbeschikking niet in persoon is uitgereikt, terwijl de verdachte ook niet bekend is geraakt met het schrijven d.d. 16 september 2015. De verdachte is pas op 10 februari 2016 door een brief van het CJIB op de hoogte geraakt van de strafbeschikking.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat blijkens artikel 257a, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering de strafbeschikking schriftelijk is.
Artikel 257d van het Wetboek van Strafvordering bepaalt vervolgens dat ‘een afschrift van de strafbeschikking zo veel mogelijk in persoon aan de verdachte wordt uitgereikt’ en dat ‘indien uitreiking van het afschrift niet in persoon plaatsvindt, het afschrift wordt toegezonden aan het in de basisregistratie personen vermelde adres van de verdachte’. Van elke uitreiking of toezending wordt aantekening gehouden op de wijze, bij algemene maatregel van bestuur bepaald (lid 4).
Met betrekking tot voornoemde aantekening blijkt uit art. 2.2. van het Besluit OM-afdoening dat ‘van elke uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de strafbeschikking overeenkomstig dit artikel in daarvoor bestemde landelijke geautomatiseerde registers aantekening wordt gehouden door degene die de strafbeschikking heeft uitgevaardigd’.
Uit artikel 257e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt tot slot dat ‘de verdachte tegen een strafbeschikking verzet kan doen binnen veertien dagen nadat het afschrift in persoon aan hem is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is’.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof het volgende gebleken.
Op 15 september 2015 heeft een OM-zitting plaatsgevonden, waarbij verdachte en zijn toenmalige raadsvrouw mr. L.H. van der Grinten aanwezig zijn geweest. Op voormelde zitting is de verdachte door de officier van justitie gehoord. De officier van justitie heeft vervolgens te kennen gegeven dat hij verdachte een strafbeschikking zou opleggen, inhoudende een geldboete van € 1.800,00 te voldoen in 9 termijnen van € 200,00 per maand.
Uit de door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde afdruk uit GPS blijkt dat het op 15 september 2015 niet is gelukt om tijdens de OM-zitting een strafbeschikking aan te maken en dat daarom aan verdachte is medegedeeld dat een afschrift van de strafbeschikking ”naar hem thuis” zou worden gezonden. Vermeld wordt voorts dat de beslissing wel aan de verdachte is meegedeeld.
De strafbeschikking is die dag niet opgemaakt en een uitreiking in persoon heeft dus niet bij die zitting kunnen plaatsvinden, ook al heeft de officier van justitie (kennelijk per abuis) een handtekening geplaatst onder de - niet door de verdachte ondertekende - mededeling dat de verdachte verklaart dat uitreiking aan hem in persoon heeft plaatsgevonden.
In het dossier bevindt zich voorts een op schrift gestelde strafbeschikking die gedagtekend is op 16 september 2015 en geadresseerd is aan het destijds bekende GBA-adres van de verdachte.
Niet blijkt van een uitreiking in persoon van deze beschikking.
Ofschoon dit een mogelijke wijze van kennisgeving van de strafbeschikking is, kent de wet geen verplichting tot betekening. Verzending en de aantekening zoals bedoeld in artikel 257d, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering strekken ertoe dat het openbaar ministerie binnen 14 dagen kan beginnen met tenuitvoerlegging. De mogelijkheid om verzet te doen gaat daarmee niet verloren als de verdachte door toezending niet op de hoogte is geraakt. [1] .
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte bekend is met de strafbeschikking van 16 september 2015, in het bijzonder:
is de mondelinge vooraankondiging van de beschikking van 16 september 2018 zoals gedaan door de officier van justitie op de OM-zitting van 15 september 2015 - daargelaten dat niet is medegedeeld op welke dag de verdachte een afschrift van de op schrift gestelde strafbeschikking zou kunnen ontvangen - een zodanige omstandigheid?
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde.
Het hof is van oordeel dat, mede gelet op het belang van toegang tot de rechter, zoals tot uitdrukking komt in onder meer de rechtspraak van het EHRM, er geen reden is uitzonderingen op die termijnen aan te nemen in het nadeel van de verdachte. Dat leidt tot het volgende.
Kennisneming van een strafbeschikking zoals bedoeld in artikel 257e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan slechts dan plaatsvinden op het moment dat reeds sprake is van een op schrift gestelde strafbeschikking. In de onderhavige strafzaak is de strafbeschikking op 16 september 2015 op schrift gesteld, dus na voormelde OM-zitting.
De aankondiging op de OM-zitting van 15 september 2015 kan dus niet worden aangemerkt als omstandigheid waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte bekend was met die latere beschikking.
Het hof stelt vast dat ook overigens geen omstandigheid is gebleken waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte eerder dan door ontvangst van de brief van het CJIB d.d. 10 februari 2016 bekend is geworden met de strafbeschikking, zodat de termijn voor het indienen van verzet is ingegaan op 10 februari 2016. Nu de raadsvrouw die daartoe door verdachte bepaaldelijk gevolmachtigd was blijkens de akte instellen verzet op 10 februari 2016 verzet heeft ingesteld, is het hof van oordeel dat dit verzet tijdig en juist is ingesteld.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde verzet tegen de strafbeschikking. Ingevolge artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof, zoals verzocht door de verdediging, de zaak terugverwijzen naar de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak op het bestaande verzet zal worden berecht en afgedaan.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst de zaak terug naar de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant ter zake van het ten laste gelegde, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Aldus gewezen door:
mr. K.J. van Dijk, voorzitter,
mr. K. van der Meijde en mr. M.J. Grapperhaus, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. F. van Stralen, griffier,
en op 12 november 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. K. van der Meijde en mr. M.J. Grapperhaus zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 849, nr. 3 p. 37, 38-39