Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6992686 VV EXPL 18-37)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 24 augustus 2018 met twee grieven, twee producties (nr. 5 en 6) en een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis;
- de door [geïntimeerde] op 18 september 2018 in het incident genomen incidentele antwoordconclusie met twee producties;
- de door [geïntimeerde] op 2 oktober 2018 genomen memorie van antwoord.
3.De beoordeling
- Per 1 september 2016 heeft [geïntimeerde] als verhuurder met [appellante] als huurder een huurovereenkomst gesloten voor de duur van 10 jaar voor de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] voor de exploitatie van een seafoodrestaurant. De partijen zijn een aanvangshuurprijs van € 6.050,-- inclusief btw per maand overeengekomen.
- Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro (model ROZ 2012) van toepassing.
- De partijen zijn op 21 december 2016 bij allonge overeengekomen dat [geïntimeerde] wijzigingen zal aanbrengen in het gehuurde en dat [appellante] per 1 maart 2017 een verhoogde huur verschuldigd is van € 7.865,-- inclusief btw per maand.
- [geïntimeerde] heeft ter zake van de verbouwingen een aannemingsovereenkomst gesloten met [eenmanszaak] , zijnde de eenmanszaak van de heer [broer van de bestuurder van appellante] .
- [broer van de bestuurder van appellante] is een broer van de bestuurder van [appellante] , de heer [bestuurder van appellante] .
- [geïntimeerde] heeft op 13 november 2017 een brief ontvangen van de gemeente [plaats] waarin staat dat het gehuurde op een aantal punten illegaal is gewijzigd, waaronder vier nieuwe gevelpuien in de rechter zijgevel die niet voorzien zijn van een roedeverdeling en waarbij de borstwering is verwijderd. De gemeente heeft [geïntimeerde] verzocht de wijzigingen binnen drie maanden ongedaan te maken op straffe van een dwangsom van € 10.000,--.
- [geïntimeerde] heeft de brief van de gemeente op 28 november 2017 aan [appellante] gezonden en verzocht om de sommatie voor 5 december 2017 na te komen.
- [geïntimeerde] heeft vervolgens overleg gehad met [broer van de bestuurder van appellante] (al dan niet namens [appellante] ) over herstellingen alsook huurachterstand, waarbij [broer van de bestuurder van appellante] heeft aangegeven dat (al dan niet gedeeltelijk) over wordt gegaan tot herstel en betaling van de huurachterstand.
- Op 5 maart 2017 heeft [geïntimeerde] opnieuw een brief van de gemeente ontvangen waarin staat dat bij de herinspectie van 14 februari 2018 is geconstateerd dat de herstellingen niet zijn uitgevoerd en een dwangsom van € 10.000,-- is verbeurd.
- [geïntimeerde] heeft de dwangsom van € 10.000,-- aan de gemeente betaald.
- Bij brief van 26 maart 2018 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] [appellante] gesommeerd om de herstellingen aan het pand alsnog conform de omgevingsvergunning uit te voeren en aangegeven dat de kosten van de dwangsom op [appellante] worden verhaald.
- Bij e-mailbericht van 9 april 2018 heeft [appellante] aan de gemachtigde van [geïntimeerde] medegedeeld dat de gebreken hersteld zijn (waaronder de roedeverdeling op de ramen). Verder heeft [geïntimeerde] verwezen naar een e-mail van haar aan de gemeente [plaats] waarin staat dat de welstandcommissie mondeling toestemming heeft gegeven tot verwijdering van de borstwering.
- Bij brief van 20 april 2018 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aan [appellante] medegedeeld dat zij gehouden is tot herstel van de borstwering, dat er een betalingsafspraak is van € 2.000,-- per week voor de huurachterstand en de regeling vervalt bij niet stipte nakoming. In deze brief staat onder meer het volgende:
- A. tot herstel van de borstwering en ramen in de rechterzijgevel van het gehuurde pand, alsmede tot vakkundig herstel van de schade aan het pand, op straffe van voldoening van een dwangsom;
- B. om het bedrijfspand gelegen aan de [adres] te [plaats] direct na herstel binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen;
- C. tot afgifte van een exemplaar van de getekende NEN 3140 keuring, op straffe van voldoening van een dwangsom;
- D. tot betaling aan [geïntimeerde] van:
- 1. € 28.259,-- (inclusief btw) aan huurachterstand tot en met juli 2018, vermeerderd met de wettelijke rente per moment van verschuldigdheid van de openstaande huurpenningen tot de dag van volledige voldoening;
- 2. € 7.865,-- (inclusief btw) per maand vanaf 1 augustus 2018 voor iedere maand dat [appellante] het gehuurde in gebruik heeft tot en met de datum van de daadwerkelijke ontruiming, een ingegane maand voor een volle gerekend;
- 3. een bedrag van € 10.000,-- bij wijze van schadevergoding in verband met de bestuurlijk aan [geïntimeerde] opgelegde en inmiddels verbeurdverklaarde dwangsom;
- 4. de buitengerechtelijke kosten ad € 4.747,50 (op grond van 30.1 algemene bepalingen), subsidiair de werkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten ad
- Vordering A afgewezen;
- Vordering B (de vordering tot ontruiming) toegewezen;
- Vordering C tot afgifte van een exemplaar van de getekende NEN 3140 keuring toegewezen zonder oplegging van een dwangsom;
- [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen:
- a. € 28.259,-- (inclusief btw) aan huurachterstand tot en met juli 2018, vermeerderd met de wettelijke rente per moment van verschuldigdheid van de openstaande huurpenningen tot de dag van volledige voldoening;
- b. € 7.865,-- (inclusief btw) per maand vanaf 1 augustus 2018 voor iedere maand dat [appellante] het gehuurde in gebruik heeft tot en met de datum van de daadwerkelijke ontruiming;
- c. € 1.306,80 aan buitengerechtelijke kosten.
- [geïntimeerde] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming van het gehuurde, omdat daarmee kan worden voorkomen dat haar schade ter zake onbetaalde huur verder oploopt (rov. 3.7).
- De huurachterstand bedraagt na de betalingen die [appellante] op 5 en 9 juli 2018 heeft gedaan € 28.259,--.
- Gelet op de hoogte van de huurachterstand van meer dan drie maanden is aannemelijk dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De door [appellante] genoemde financiële problemen komen voor haar eigen rekening. De vordering tot ontruiming is dus toewijsbaar (rov. 3.10 en 3.11).
- Voor het toestaan van een terme de grâce bestaat geen aanleiding (rov. 3.12).
- [appellante] de huur niet overeenkomstig de huurovereenkomst in maandelijkse termijnen voor de eerste van elke maand heeft betaald, maar in wisselende kleinere bedragen waarbij de huurachterstand tot een aanzienlijk bedrag is opgelopen;
- [appellante] de in de brief van 20 april 2018 genoemde betalingsregeling niet heeft nagekomen;
- meermalen sprake is geweest van een huurachterstand van meer dan drie maanden.