In deze zaak betreft het een hoger beroep tegen een wrakingsbeslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Verzoekster had een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die in de hoofdzaak had geoordeeld. De wrakingskamer van de rechtbank verklaarde het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.
De gemachtigde van verzoekster stelde vervolgens een hoger beroep in, dat door het hof 's-Hertogenbosch werd behandeld. Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de hoofdzaak een administratieve boete betrof opgelegd op grond van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV) en dat het hoger beroep tegen de hoofdzaak bij het hof Arnhem-Leeuwarden loopt.
Het hof oordeelde dat wrakingsverzoeken incidenten zijn binnen de hoofdprocedure en dat het verzoek tot wraking moet worden ingediend bij het gerecht waar de hoofdzaak aanhangig is. Het hoger beroep tegen de wrakingsbeslissing moet daarom door de appelinstantie worden behandeld die ook bevoegd is voor de hoofdzaak. Omdat dat het hof Arnhem-Leeuwarden is, verklaarde het hof 's-Hertogenbosch zich onbevoegd en verwees de zaak door.
De beslissing werd op 27 november 2018 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer van het hof 's-Hertogenbosch.