De zaak betreft een zestienjarige verdachte die samen met zijn tweelingbroer hennepplanten uit de grond trok en verstopte in een beschermd natuurgebied nadat hun oudere broer was aangehouden. De kinderrechter had de verdachte veroordeeld tot een werkstraf van veertig uur, deels voorwaardelijk.
In hoger beroep vernietigt het hof het vonnis van de kinderrechter vanwege een andere bewezenverklaring. Het hof acht bewezen dat de verdachte samen met zijn broer opzettelijk 48 hennepplanten aanwezig heeft gehad, maar niet meer dan dat. Het verweer dat de planten werden vernietigd wordt verworpen omdat het handelen eerder duidt op verbergen.
De strafbaarheid wordt gekwalificeerd als medeplegen van een strafbaar feit op grond van de Opiumwet. Het hof legt een taakstraf op van veertig uur werkstraf, deels voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, mede gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de ernst van het feit.
De verdachte erkent dat hij een volgende keer anders zou handelen. Het hof benadrukt dat ondanks de moeilijke positie van de verdachte, hij had moeten beseffen dat hij een misdrijf pleegde door de opdracht van zijn vader op te volgen. Het vonnis is op 3 december 2018 uitgesproken door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.