ECLI:NL:GHSHE:2018:5178

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 november 2018
Publicatiedatum
10 december 2018
Zaaknummer
001096-18
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen verzoek tot opheffing en schorsing voorlopige hechtenis

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep van verdachte tegen de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis was afgewezen.

Het hof constateerde dat er voldoende ernstige bezwaren tegen verdachte bestonden met betrekking tot de strafbare feiten die hem werden verweten. Daarnaast was er sprake van recidivegevaar, gezien zijn uitgebreide strafblad en eerdere veroordelingen voor vermogensdelicten. Verdachte toonde weinig respect voor justitiële interventies en eigendomsrecht.

Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing werd door verdachte ingetrokken wegens gebrek aan belang. Het hof oordeelde dat het recht van verdachte om in vrijheid te worden berecht kan worden beperkt wanneer ernstig rekening gehouden moet worden met het risico op het plegen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof vond geen voorwaarden waaronder schorsing van de voorlopige hechtenis mogelijk was zonder onaanvaardbaar risico op herhaling. Verdachte had zich bovendien op zijn zwijgrecht beroepen, waardoor geen nieuwe omstandigheden waren aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden.

Daarom bevestigde het hof de beslissing van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis is afgewezen en bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht
Bijzondere zaak, nummer: [nummer]
Parketnummer 1e aanleg: [nummer]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van [datum] , waarbij namens:

[naam verdachte]

geboren [datum] te [plaats]
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans verblijvende in [detentieplaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van
[datum] , bij welke beslissing het verzoek tot opheffing c.q. schorsing van de aan [naam verdachte] opgelegde voorlopige hechtenis werd afgewezen.
Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.
Het hof heeft kennis genomen van de akte rechtsmiddel waarbij namens verdachte tijdig beroep is aangetekend tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis en de afwijzing van het verzoek tot schorsing.
Namens verdachte is ter zitting het beroep voor zover het gericht is tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing ingetrokken weshalve verdachte in dat beroep niet meer kan worden ontvangen wegens gebrek aan belang.
Het hof heeft kennis genomen van het dossier
Met betrekking tot het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis overweegt het hof als volgt.
Uit het dossier blijkt naar het oordeel van het hof van voldoende ernstige bezwaren jegens verdachte ter zake van hetgeen hem wordt verweten, namelijk [de strafbare feiten] .
Het hof heeft zich ervan vergewist dat de ernstige bezwaren zoals door de rechtbank aangenomen ook thans nog bestaan.
Het hof stemt ook in met het recidivegevaar. Verdachte is eerder met politie en justitie in aanraking gekomen, ook voor vermogensdelicten, en is daar ook voor veroordeeld. Het strafblad van verdachte beslaat inmiddels [een aantal] pagina’s. Kennelijk laat verdachte zich weinig gelegen liggen aan eerdere justitiële interventies en beschikt hij over een mentaliteit waarbij persoonlijk gewin de boventoon voert en hij geen respect toont voor het eigendomsrecht. Het hof leidt hieruit af dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, wanneer hij zich niet in voorlopige hechtenis bevindt, zich schuldig zal maken aan een strafbaar feit als bedoeld in artikel 67a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Namens verdachte is een beroep gedaan op de bepaling van artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof is van oordeel dat deze omstandigheid zich thans niet voordoet.
Het hof wijst af het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
Namens verdachte is mondeling in raadkamer verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft in beginsel het recht om zijn berechting in vrijheid af te wachten. Dat kan anders zijn wanneer, zoals in de onderhavige zaak, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich schuldig zal maken aan een strafbaar feit als bedoeld in artikel 67a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, wanneer hij zich niet in voorlopige hechtenis bevindt. In een dergelijk geval zal de rechter, op grond van het subsidiariteitsbeginsel, dienen na te gaan of niet ook op andere, voor de verdachte minder bezwarende wijze, tegemoet kan worden gekomen aan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. Dat belang is in de onderhavige zaak gelegen in het verschoond blijven van een of meer strafbare feiten, gepleegd door verdachte. Meer in het bijzonder van een of meer vermogensdelicten. De rechter zal dat onderzoek ook moeten doen wanneer er door of namens verdachte geen bijzondere omstandigheden, zoals persoonlijke omstandigheden, zijn aangevoerd aangezien elke verdachte er belang bij heeft om zijn berechting in vrijheid af te wachten. In de onderhavige zaak ziet het hof echter niet welke voorwaarden aan een schorsing van de voorlopige hechtenis kunnen worden gesteld waarmee de kans op herhaling tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht. Verdachte is eerder meermaals met politie en justitie in aanraking gekomen voor vermogensdelicten en is daar ook voor veroordeeld. Ten tijde van het plegen van de thans aan hem verweten strafbare gedragingen liep verdachte in een proeftijd ter zake van een veroordeling inzake een vermogensdelict. Het hof zijn geen feiten of omstandigheden bekend die thans tot een ander oordeel zouden moeten leiden, temeer niet nu verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen.
Het hof wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart het hoger beroep van verdachte tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis niet-ontvankelijk.
Wijst af het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
Bevestigt de beslissing waarvan beroep met betrekking tot de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
Wijst af het mondeling in raadkamer gedane verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gedaan op [datum]
door mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter, mr. J.P.F. Rijken en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mw. B. Yazi-Koçyilmaz, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
's-Hertogenbosch, [datum]
Gezien d.d.
De directeur van de [detentieplaats]