ECLI:NL:GHSHE:2018:5178
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen verzoek tot opheffing en schorsing voorlopige hechtenis
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep van verdachte tegen de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis was afgewezen.
Het hof constateerde dat er voldoende ernstige bezwaren tegen verdachte bestonden met betrekking tot de strafbare feiten die hem werden verweten. Daarnaast was er sprake van recidivegevaar, gezien zijn uitgebreide strafblad en eerdere veroordelingen voor vermogensdelicten. Verdachte toonde weinig respect voor justitiële interventies en eigendomsrecht.
Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing werd door verdachte ingetrokken wegens gebrek aan belang. Het hof oordeelde dat het recht van verdachte om in vrijheid te worden berecht kan worden beperkt wanneer ernstig rekening gehouden moet worden met het risico op het plegen van nieuwe strafbare feiten.
Het hof vond geen voorwaarden waaronder schorsing van de voorlopige hechtenis mogelijk was zonder onaanvaardbaar risico op herhaling. Verdachte had zich bovendien op zijn zwijgrecht beroepen, waardoor geen nieuwe omstandigheden waren aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden.
Daarom bevestigde het hof de beslissing van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis is afgewezen en bevestigd.