ECLI:NL:GHSHE:2018:5342

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 december 2018
Publicatiedatum
21 december 2018
Zaaknummer
20-003421-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66 Wetboek van StrafvorderingArt. 27 Wetboek van StrafrechtArt. 5 lid 1 sub a Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging voorlopige hechtenis ondanks veroordeling en verzoek tot opheffing

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde de vordering tot verlenging van het bevel tot gevangenhouding van verdachte, die recentelijk door de rechtbank was veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar. De verdediging verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis, stellende dat een ander de dader was en dat de rechtbank onvoldoende aandacht had besteed aan dit alternatieve scenario. Tevens werd verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis vanwege persoonlijke omstandigheden.

Het hof oordeelde dat opheffing van de voorlopige hechtenis na een veroordelend vonnis slechts aan de orde is bij een evidente misslag in het vonnis, wat hier niet het geval was. Het alternatieve scenario van de verdediging vormde geen misslag en nader onderzoek in de raadkamer was niet op zijn plaats. Daarnaast bleef de rechtsorde ernstig geschokt door het gepleegde feit waarvoor een lange gevangenisstraf is opgelegd.

De schorsing van de voorlopige hechtenis werd eveneens afgewezen, omdat de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling nog niet nabij was en de aangevoerde persoonlijke omstandigheden, waaronder de zwangerschap van de partner, niet als bijzonder zwaarwegend werden beschouwd. De voorlopige hechtenis werd daarom met 120 dagen verlengd.

Uitkomst: De voorlopige hechtenis van verdachte wordt met 120 dagen verlengd; verzoeken tot opheffing en schorsing worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht
Parketnummer 1e aanleg : [nummer]
Parketnummer : [nummer]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de vordering van de advocaat-generaal van
[datum] strekkende tot verlenging van de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding van
[naam verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
thans zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
gedetineerd in [detentieplaats]
Dit bevel is op grond van artikel 66, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, van kracht tot [datum] .
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.
Het gerechtshof is na onderzoek gebleken dat de verdenking, bezwaren en gronden die tot het laatstelijk verleende bevel tot gevangenhouding van verdachte hebben geleid, ook thans nog bestaan. De vordering van de advocaat-generaal zal dus worden toegewezen, met dien verstande dat de voorlopige hechtenis ook komt te berusten op de grond dat in het bestreden vonnis van de [rechtbank] van [datum] een vrijheidsbenemende straf is opgelegd voor de duur van 4 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht, van welke de tenuitvoerlegging langer duurt dan de periode van het verlengde bevel tot gevangenhouding.
Namens verdachte is verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen, nu -kort gezegd- een ander dan verdachte de schutter is geweest en de rechtbank in het veroordelend vonnis niet of onvoldoende aandacht heeft geschonken aan het door de verdediging geschetste alternatieve scenario. Bovendien zou geen sprake meer zijn van een ernstig geschokte rechtsorde.
Het hof overweegt als volgt.
Opheffing van de voorlopige hechtenis kan na een veroordelend vonnis in beginsel aan de orde zijn wanneer er sprake is van een misslag in het vonnis op grond waarvan het evident is dat het vonnis in hoger beroep niet in stand kan blijven. De stelling dat de rechtbank onvoldoende aandacht heeft besteed aan een door de verdediging geschetst alternatief scenario is niet een misslag als hier bedoeld. In het kader van de beoordeling van de voorlopige hechtenis in raadkamer voert het te ver om nader onderzoek te doen naar de juistheid van het namens verdachte aangevoerde alternatieve scenario. Voorts is het hof van oordeel dat ook thans nog de rechtsorde ernstig is geschokt aangezien het voor de samenleving niet te begrijpen zou zijn wanneer de verdachte die recent namelijk op [datum] is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens het plegen van een strafbaar feit waar 12 jaar of meer op staat en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt, zijn berechting in vrijheid zou mogen afwachten.
Het hof overweegt voorts dat het veroordelend vonnis op zich een nieuw ernstig bezwaar jegens verdachte vormt die de voorlopige hechtenis rechtvaardigt.
Namens verdachte is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen.
Het hof overweegt als volgt.
Na een veroordeling door een daartoe bevoegde rechter komt de voorlopige hechtenis te berusten op artikel 5 lid 1 sub a van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en heeft de verdachte niet zonder meer het recht om zijn berechting in vrijheid af te wachten. Daaraan doet volgens vaste rechtspraak van het EHRM niet af dat de veroordeling nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Immers het belang van de samenleving bij voortduring van de voorlopige hechtenis na een veroordeling door een daartoe bevoegde rechter weegt zwaar. Dat neemt niet weg dat er redenen kunnen zijn om de voorlopige hechtenis te schorsen. Alsdan dient er naar het oordeel van het hof sprake te zijn van bijzondere zwaarwichtige, de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat verdachte heeft bij het in vrijheid mogen afwachten van zijn proces, zwaarder weegt dan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. In die afweging van belangen gaat het belang van de verdachte zwaarder wegen naarmate de datum van (voorwaardelijke) invrijheidstelling naderbij komt. In de onderhavige zaak is de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling bepaald op [datum] . Er is derhalve nog geen sprake van een nabij gelegen datum van invrijheidstelling terwijl het hof voorts van oordeel is dat hetgeen namens verdachte naar voren is gebracht, onder meer de zwangerschap van de partner van verdachte, in de onderhavige zaak niet kan doorgaan voor een bijzonder zwaarwichtige omstandigheid waar het belang van de samenleving voor dient te wijken.
Het hof wijst af het verzoek.

BESCHIKKENDE:

Verlengtde geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding van verdachte voor een termijn van honderdtwintig dagen.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gedaan op [datum]
door mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter,
mr. F.J.M. Walstock en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren
in tegenwoordigheid van mw. B. Yazi-Kocyilmaz, griffier.
De advocaat-generaal gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikking en brengt deze ter kennis van verdachte.
’s-Hertogenbosch, [datum]
De advocaat-generaal,
Gezien d.d.
De Directeur van [detentieplaats]