Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 19 december 2017;
- de brief van drs. [psychiater] d.d. 19 januari 2018.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellante heeft verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van €142.835,21, waaronder een grote belastingschuld en een schuld aan het CJIB. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant niet te goeder trouw was bij het ontstaan van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek en onvoldoende aannemelijk was dat zij de verplichtingen uit de regeling zou nakomen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychosociale problematiek inmiddels stabiel is en dat zij professionele hulp ontvangt, waaronder intensieve begeleiding door ProPersona. Zij stelde dat de schulden vooral zijn ontstaan door het beheer van haar financiën door haar voormalige partner, waardoor zij niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor het niet nakomen van betalingsverplichtingen.
Het hof oordeelde dat ondanks de behandeling de psychosociale problematiek niet duurzaam beheersbaar is en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal kunnen nakomen. Daarnaast is de belastingschuld ontstaan door het niet tijdig verstrekken van gegevens, wat volgens de beoordelingscriteria niet te goeder trouw is. Ook de schuld aan het CJIB betreft een geldboete, die eveneens niet te goeder trouw is ontstaan.
Het beroep op de hardheidsclausule faalt omdat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat de omstandigheden die tot de schulden hebben geleid onder controle zijn. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de weigering van toelating tot de schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende nakoming van verplichtingen.