Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
8.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 7 juni 2016;
- de memorie na tussenarrest d.d. 2 augustus 2016 van [holding 1] ;
- de antwoordmemorie na tussenarrest d.d. 13 september 2016 van [beheer] met twee doorgenummerde producties.
9.De verdere beoordeling
Eind 2009 was ik senior projectmanager bij Friesland Campina. U houdt mij voor productie 10 als gehecht aan de memorie van grieven. Dat is mijn verklaring die ik eerder heb opgesteld. Wat er in staat klopt. U vraagt mij naar de strekking van de verklaring. Ik heb begrepen dat er een geschil is tussen de beide partijen in de procedure omtrent een order die door mij ten behoeve van Friesland Campina geplaatst is bij de [groep] Groep B.V. Het geschil was blijkbaar dat de order vervolgens is overgegaan naar [de vennootschap 1] B.V.
In dit verband merkt het hof in algemene zin reeds nu op dat het dus niet aan [beheer] te bewijzen is dat door [holding 1] gestelde noodzakelijke correcties niet kloppen, maar dat het juist aan [holding 1] is – gezien de door [beheer] gedane gemotiveerde betwisting per post – de juistheid van de respectieve voorgestane correctie te bewijzen.
€ 273.000,= en waarvan [holding 1] stelt dat deze nihil althans zelfs negatief zou moeten worden gewaardeerd.
€ 166.000,=.
€ 166.000,= plus € 70.000,= + € 38.000,=). Wanneer moet worden uitgegaan van maximaal
€ 199.200,= te factureren (punt 6 Memorie na enquête aan de zijde van [holding 1] , zie ook onderdeel 9.9.3. van dit arrest) bedraagt de rekenkundige som (€ 199.200,= plus € 70.000,= + € 38.000,=) zelfs € 307.200,=.
Gezien deze overzichten kon [holding 1] ten aanzien van het overzicht dat als productie 6 is overgelegd niet volstaan met een algemene ontkenning (‘bij gebrek aan wetenschap’).
levering is excl. (….) alle in deze offerte niet omschreven werkzaamheden en diensten”. Dat uiteindelijk door Friesland Campina niet de volledige aanneemsom noch – klaarblijkelijk – enig meerwerk is voldaan nadat het faillissement is uitgesproken kan, mede vanwege perikelen met de doorstarter en in het kader van met de curator gemaakte afspraken waarover getuige [maintenance & engineeringmanager] heeft verklaard, in dit verband geen althans onvoldoende betekenis worden toegekend. Gesteld noch gebleken is dat ten tijde van de opstelling van de overnamebalans al met een faillissement rekening diende te worden gehouden.
Voorts is niet komen vast te staan wanneer precies het betreffende gesprek over meerwerk heeft plaatsgevonden - [beheer] stelt eerst in december 2009- , zodat evenmin is komen vast te staan dat dit vóór 30 november 2009 (of kort daarna) is gevoerd en dus [beheer] ook al vóór 30 november 2009 althans het moment van opstellen van de overnamebalans per die datum met de visie van de heer [maintenance & engineeringmanager] bekend was. Evenmin is bekend of inderdaad zonder faillissement geen meerwerk zou zijn vergoed.
marge voor onvoorziene dingen” en getuige [(naam 1) engineer bij de vennootschap 2] , die ten aanzien van de vraag of het project uiteindelijk conform de voorcalculatie is uitgevoerd “
het antwoord schuldig (moet) blijven. Bij dit soort projecten zijn er altijd plussen en minnen en ik ben niet bij de laatste besprekingen geweest”.
rendement bovendien afhankelijk (is) van kosten” juist, maar naar het oordeel van het hof duidt het door [voormalig projectleider tevens technisch-commercieel manager] veronderstelde rendement er naar zijn aard niet op dat reeds vanaf het begin, dus in september 2009, vaststond dat onder kostprijs/interne kosten e.d. zou worden gewerkt.
€ 273.000,= een adequate schatting te laten zijn.
De directeur van een bedrijf is voor ons een heel belangrijke bron om informatie te verstrekken, vooral die informatie die niet uit de administratie blijkt” en “
Verder hadden wij vragen over het onderhanden werk. Zo was bij het project Friesland Campina geen duidelijkheid over de vraag of alle kosten al waren gemaakt, of er meerwerk nog in rekening kon worden gebracht en dergelijke. De belangrijkste inschatting bij een bedrijf als [de vennootschap 1] betreft het onderhanden werk. Daar staat of valt een jaarrekening mee. De post onderhanden werk is het moeilijkst in te schatten voor een accountant. Daarbij moeten we varen op de informatie van de directie, want we kunnen niet de klanten gaan bellen met de vraag of ze bijvoorbeeld instemmen met een nadere factuur meerwerk”. [de vennootschap 1] heeft de informatieverschaffing echter niet afgewacht, zoals door [beheer] meermalen is aangevoerd.
[holding 1] heeft daarop aangegeven dat dit punt door [beheer] niet is bewezen terwijl [administratie accountant] wel de aanpassing voorstond - zoals hij als getuige ook heeft verklaard - en van oordeel was dat een deel van de deeltijd WW moest worden terugbetaald. Maar het is [holding 1] die de juistheid van de door haar aangevoerde correctie post moet bewijzen en niet [beheer] die de juistheid van haar reactie moet bewijzen. De enkele verklaring van getuige [administratie accountant] dat correctie zijns inziens nodig was, zonder dat concreet is gereageerd respectievelijk ingegaan op het interne boekingsbetoog van [beheer] , maakt niet dat het bewijs geleverd is. Uit de verklaring van [administratie accountant] blijkt nu juist dat hij over de door hem voorlopig voorgestane correcties wilde overleggen met de heer [bestuurder van appellante] , maar dat overleg heeft nimmer plaatsgevonden vanwege de door [de vennootschap 1] / [holding 1] gemaakte keuze surseance aan te vragen. Getuige [administratie accountant] heeft letterlijk verklaard “
De antwoorden op de door ons aan de orde gestelde kwesties hebben wij nooit ontvangen. (…)Ik beschikte tijdens de bespreking over een consolidatiestaat voor 2009. Dit is een halffabricaat dat wordt gebruikt om tot een uiteindelijke jaarrekening te komen, waarbij ook de antwoorden op de vragen die wij hadden, werden meegenomen. Dat is ook de reden dat ik de consolidatiestaat mee terug heb genomen en niet heb afgegeven aan een van partijen.”. Derhalve acht het hof de waarde die [holding 1] heeft toegekend en toekent aan de waarnemingen van getuige [administratie accountant] te absoluut en kan daarmee in de gegeven omstandigheden niet worden volstaan.
€ 36.915,= , bestaande uit afrekening pensioenpremies over 2008 ad € 8.393,= (hierna pensioenpremies), correctie teveel geboekte vergoeding voor deeltijd WW ad € 16.702,55, het afboeken van een waarborgsom ad € 4.670,75 (hierna de waarborgsom) en de kosten van een bedrijfsverzekering ad € 5.491,17 (hierna de bedrijfsverzekering).
Voorts voert [beheer] aan dat de pensioenpremies al verwerkt waren in de correcties die [administratie accountant] in zijn memo van 29 december 2009 heeft gemeld (tot een totaalbedrag van € 40.000,=).
Met betrekking tot de waarborgsom stelt [beheer] dat deze als oninbaar is afgeboekt zonder specificatie van het betreffende pand noch enige onderbouwing voor de afboeking, zodat [beheer] betwist dat sprake is van een oninbaar bedrag.
De bedrijfsverzekering tenslotte ziet op 2010, moest bij vooruitbetaling worden voldaan, is geen nagekomen post over 2009 en beïnvloedt dus niet het resultaat over 2009.
Aangaande de correctie waarborgsom en bedrijfsverzekering kan [holding 1] niet volstaan met te verwijzen naar hetgeen [administratie accountant] voorstond en vervolgens door [auteur van de notitie] is uitgevoerd. Waarom de (welke?) waarborgsom als oninbaar is aangemerkt is niet gebleken. Dat de bedrijfsverzekering ten laste van het boekjaar 2009 diende te komen is evenmin gebleken: anders dan [holding 1] klaarblijkelijk van mening is diende zij deze post nader te bewijzen en dus de betreffende nota te overleggen, hetgeen niet is geschied. Beide correctieposten zijn niet bewezen.
Het standpunt van [beheer] ter zake de pensioenpremies blijkt niet uit de mail van [administratie accountant] van 29 december 2009 (productie 14 aan de zijde van [holding 1] ). Daarin is wel sprake van “
correcties op overlopende posten (vooruitbetaalde verzekeringen die niet aflopen, nog te ontvangen ziektekosten etc.)”, maar pensioenpremies worden niet genoemd. Evenmin is door [beheer] nader toegelicht waarom pensioenpremies 2008 in 2009 overlopende posten zouden zijn.
[beheer] heeft hierop niet meer gereageerd.
€ 13.187,40(€ 4.794,40 plus € 8.393,=).
Derhalve moet vervolgens worden vastgesteld wat de hierdoor ontstane schade voor [de vennootschap 1] is als bedoeld in artikel 8.1 KOVK, waar [holding 1] zich als borg ook op kan beroepen (zie onderdeel 4.8.1 van het tussenarrest van 24 juni 2014). De tussen partijen op dit punt gemaakte afspraken duiden - anders dan door is [beheer] betoogd – er niet op dat [de vennootschap 1] / [holding 1] bepaalde fouten of correcties op de koop toe hebben genomen,
Evenmin kan gezien de vastgestelde correctieposten - zoals [holding 1] heeft betoogd - worden aangenomen dat, mede gezien de omvang van de in de balans aan de orde zijnde bedragen en van de uiteindelijk bepaalde koopprijs, sprake is geweest van bedrog.
€ 280.000,= dan aanvankelijk verwacht geleid tot een vermindering van de aanvankelijk besproken koopprijs met € 400.000,= en aldus geleid tot de lagere koopprijs van
€ 1.400.000,=. Deze verhouding rekenkundig beschouwend (280 = 0,7 van 400) zou een verschil van € 13.187,40 gedeeld door 0,7 leiden tot een vergoeding van afgerond € 18.840,= ten gunste van [de vennootschap 1] en in deze procedure dus [holding 1] . Dit laatste in die zin dat [holding 1] (net zoals [de vennootschap 1] zou mogen) zich op verrekening van een dergelijk bedrag – dan wel een uiteindelijk ander vast te stellen bedrag - met haar verplichtingen kan beroepen.
Overigens hoefde - anders dan [holding 1] veronderstelt – [beheer] niet te wachten op de afloop van het faillissement alvorens [holding 1] als borg aan te spreken.