Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
Stichting [stichting] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele procedure staat de vrijwaringsvordering van de Raad voor Rechtsbijstand jegens de Stichting centraal, voortvloeiend uit een eerdere hoofdzaak tussen de Stichting en eiser [geïntimeerde sub 1]. Het hof bevestigt dat de Raad niet meer kan worden veroordeeld dan de Stichting aan eiser verschuldigd is, maar ook tot minder kan worden veroordeeld, afhankelijk van de verweren die de Raad kan aanvoeren.
Het geschil betreft onder meer de vraag welke CAO van toepassing is op de wachtgeldregeling van eiser, waarbij het hof oordeelt dat vanaf 1 mei 2008 de CAO Welzijn van toepassing is. De overgangsbepalingen die de CAO Rechtsbijstand tot die datum van kracht hielden, zijn volgens het hof geëindigd. De Stichting kan geen aanspraak maken op een hogere vergoeding dan de Raad op grond van de CAO Welzijn verschuldigd is.
Verder wordt vastgesteld dat de kantonrechter in de hoofdzaak geen beslissing heeft genomen jegens de Raad, zodat het hoger beroep van de Raad in de hoofdzaak voorkomt dat de beslissingen jegens de Stichting en eiser onherroepelijk worden. Het hof benoemt een deskundige om de hoogte van de vordering van de Stichting jegens de Raad te berekenen, waarbij partijen zich kunnen uitlaten over de vraagstelling en de berekening.
De procedure wordt aangehouden voor nadere stukken en berekeningen, waarbij het hof benadrukt dat aanspraken op wachtgeld na 1 maart 2016 niet in deze procedure aan de orde komen, tenzij partijen overeenstemming bereiken. De zaak wordt verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door de Stichting met betrekking tot de deskundigenbenoeming.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de Raad in de hoofdzaak af en benoemt een deskundige voor de berekening van de vordering in de vrijwaringszaak.