Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[domicilie],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak betrof het hoger beroep tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2011 en 2012. Tijdens de voorbereiding van de zitting bleek dat een raadsheer-plaatsvervanger van het team belastingrecht van het hof betrokken was bij de zaak.
Het hof oordeelde dat deze betrokkenheid de objectief gerechtvaardigde vrees van partijdigheid kan oproepen. Om de schijn van partijdigheid te vermijden, besloot het hof de zaak ambtshalve niet verder te behandelen en verwees het de zaak met toepassing van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie naar het gerechtshof Den Haag.
Partijen waren niet aanwezig bij de zitting en werden vooraf geïnformeerd over de verwijzing. De beslissing werd in een mondelinge tussenuitspraak gedaan en schriftelijk bevestigd. Tegen deze tussenbeslissing is geen afzonderlijk rechtsmiddel mogelijk; bezwaar kan alleen worden gemaakt bij het hoger beroep of cassatie tegen de einduitspraak.
Uitkomst: Het gerechtshof 's-Hertogenbosch verwijst het hoger beroep ambtshalve naar het gerechtshof Den Haag wegens schijn van partijdigheid.