Uitspraak
8.Het verdere verloop van het geding
- het tussenarrest van 30 oktober 2018;
- de akte van [appellant] van 4 december 2018;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] van 15 januari 2019.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak stond centraal of de appellant eigenaar was gebleven van een woonunit die op een perceel stond dat executoriaal was verkocht. De appellant stelde dat hij eigenaar bleef van de woonunit, terwijl de geïntimeerde dit betwistte en stelde dat de woonunit bij de executoriale verkoop was inbegrepen.
Het hof gaf de appellant de gelegenheid om bescheiden te overleggen die de omvang van de executoriale verkoop konden aantonen en om in te gaan op het beroep van de geïntimeerde op artikel 3:86 BW Pro. De appellant leverde echter geen bescheiden aan, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de woonunit niet bij de executoriale verkoop was inbegrepen.
Het hof oordeelde dat het op de appellant rustte om zijn eigendom te onderbouwen, maar dat hij dit niet had gedaan. Hierdoor viel de grondslag van zijn vordering weg. Het hof bekrachtigde het eerdere vonnis van de kantonrechter en wees de vordering van de appellant af. Tevens werd de appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering van appellant tot eigendom van de woonunit wordt afgewezen en het vonnis van 21 september 2016 wordt bekrachtigd.