ECLI:NL:GHSHE:2019:1027

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 maart 2019
Publicatiedatum
19 maart 2019
Zaaknummer
200.207.550_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:86 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eigendom woonunit bij executoriale verkoop van perceel niet vastgesteld

In deze civiele zaak stond centraal of de appellant eigenaar was gebleven van een woonunit die op een perceel stond dat executoriaal was verkocht. De appellant stelde dat hij eigenaar bleef van de woonunit, terwijl de geïntimeerde dit betwistte en stelde dat de woonunit bij de executoriale verkoop was inbegrepen.

Het hof gaf de appellant de gelegenheid om bescheiden te overleggen die de omvang van de executoriale verkoop konden aantonen en om in te gaan op het beroep van de geïntimeerde op artikel 3:86 BW Pro. De appellant leverde echter geen bescheiden aan, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de woonunit niet bij de executoriale verkoop was inbegrepen.

Het hof oordeelde dat het op de appellant rustte om zijn eigendom te onderbouwen, maar dat hij dit niet had gedaan. Hierdoor viel de grondslag van zijn vordering weg. Het hof bekrachtigde het eerdere vonnis van de kantonrechter en wees de vordering van de appellant af. Tevens werd de appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: De vordering van appellant tot eigendom van de woonunit wordt afgewezen en het vonnis van 21 september 2016 wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.207.550/01
arrest van 19 maart 2019
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
verder: [appellant] ,
advocaat: mr. M.N. van Geenen te Venlo,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
verder: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. S.J.G.A. van Pelt te Eindhoven,
als vervolg op de tussenarresten van dit hof van 21 maart 2017 en 30 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer/rolnummer 4842822\CV EXPL 16-2103 tussen partijen gewezen vonnis van 21 september 2016.

8.Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 30 oktober 2018;
  • de akte van [appellant] van 4 december 2018;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] van 15 januari 2019.
Partijen hebben arrest gevraagd.

9.De verdere beoordeling

9.1
Bij tussenarrest van 30 oktober 2018 heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld bescheiden over te leggen waaruit de precieze omvang van de executoriale verkoop blijkt en daarbij tevens in te gaan op het niet eerder door [geïntimeerde] aangevoerde beroep op artikel 3:86 BW Pro (r.o. 6.8).
Voor het geval zou blijken dat de woonunit niet bij de executoriale verkoop was inbegrepen en het beroep van [geïntimeerde] op artikel 3:86 BW Pro niet zou slagen kon [appellant] zich, in verband met zijn subsidiaire vordering tot schadevergoeding, uitlaten over de waarde van de woonunit ten tijde van het afvoeren ervan door [geïntimeerde] in het najaar van 2014 (r.o. 6.9).
9.2
Met betrekking tot het overleggen van bescheiden over de executoriale verkoop vermeldt de advocaat van [appellant] in diens akte dat [appellant] hem geen bescheiden heeft aangeleverd zodat geen bescheiden kunnen worden overgelegd. Volgens [geïntimeerde] betekent dit dat niet is komen vast te staan dat de woonunit niet bij de executoriale verkoop was inbegrepen zodat hij gerechtigd was daarover te beschikken.
9.3
Het hof stelt vast dat de grondslag van de vordering van [appellant] is gelegen in de stelling dat hij eigenaar is gebleven van de woonunit die hij na de brand op het erf heeft laten plaatsen. Afspraken met [betrokkene] en/of [geïntimeerde] over de woonunit zijn niet komen vast te staan (tussenarrest r.o. 6.7). Wanneer de woonunit bij de executoriale verkoop was inbegrepen, is [appellant] toen geen eigenaar van de woonunit gebleven. Bij de executoriale verkoop was [geïntimeerde] niet betrokken; dat was een aangelegenheid tussen [appellant] , [betrokkene] en de Rabobank. Het ligt daarom op de weg van [appellant] om zijn stelling dat hij bij de executoriale verkoop eigenaar is gebleven - met bescheiden - te onderbouwen. Die gelegenheid is [appellant] geboden maar niet door hem benut. Ook anderszins heeft [appellant] niet onderbouwd dat hij bij de executoriale verkoop eigenaar is gebleven van de woonunit. Dit betekent dat aan zijn vordering de grondslag is komen te ontvallen en dat de overige kwesties waarvoor de aktewisseling bestemd was geen verdere bespreking behoeven.
9.4
Een en ander brengt het hof, zij het op andere gronden, tot dezelfde conclusie als de kantonrechter in het vonnis van 21 september 2016, namelijk dat de vordering van [appellant] niet voor toewijzing vatbaar is. Dit vonnis wordt daarom bekrachtigd en de grief van [appellant] wordt alsnog verworpen. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

10.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis van 21 september 2016, waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 718,= aan griffierecht en op € 2.685,= aan salaris advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en G.J.S. Bouwens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 maart 2019.
griffier rolraadsheer