Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
rolbeslissing van 19 maart 2019
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele procedure heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 19 maart 2019 een rolbeslissing genomen over de handhaving van een eerder verleende akte van niet-dienen. Geïntimeerde had betoogd dat de memorie van antwoord tijdig was ingediend, maar het hof constateerde dat deze pas op 8 februari 2019 was ontvangen, na de uiterste termijn van 5 februari 2019.
De indiening via het postbedrijf was onduidelijk en tegenstrijdig, met verklaringen die niet overeenstemden over de wijze van aflevering. Het hof achtte het niet aannemelijk dat de memorie tijdig was ontvangen en oordeelde dat de te late indiening aan geïntimeerde moest worden toegerekend.
Op grond van vaste rechtspraak en artikel 133 lid 4 Rv Pro jo. 353 Rv, en het Landelijk procesreglement, is het recht tot het verrichten van de proceshandeling vervallen. Het hof zag geen bijzondere omstandigheden om terug te komen op de akte van niet-dienen en verwees de zaak naar de rol van 2 april 2019 voor partijberaad.
Uitkomst: De akte van niet-dienen wordt gehandhaafd en de zaak wordt verwezen naar partijberaad.