ECLI:NL:GHSHE:2019:1179

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 maart 2019
Publicatiedatum
27 maart 2019
Zaaknummer
200.167.194_02
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 31 RvArt. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters gerechtshof in civiele procedure

In deze civiele procedure verzocht [consumer finance] om wraking van drie raadsheren van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, omdat het hof had aangekondigd op 5 maart 2019 arrest te wijzen over een verzoek tot verbetering van een eerder gewezen eindarrest. [Consumer finance] meende dat deze aankondiging impliceerde dat het hof het verzoek van de curatoren zou honoreren, wat aanleiding gaf tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

De wrakingskamer oordeelde dat de enkele aankondiging van het wijzen van arrest niets zegt over de inhoud van de beslissing en dat artikel 31 lid 2 Rv Pro niet uitsluit dat het hof een verzoek tot verbetering ook kan afwijzen. Ook het feit dat de beslissing voor [consumer finance] nadelig zou kunnen uitvallen, vormt geen grond voor wraking. De wrakingskamer benadrukte het vermoeden van onpartijdigheid van rechters en dat wraking geen verkapt rechtsmiddel is.

De wrakingskamer concludeerde dat het wrakingsverzoek geen zwaarwegende aanwijzingen bevatte voor vooringenomenheid en wees het verzoek af. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de drie raadsheren wordt afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Wrakingskamer
Registratienummer: Wr 280-03-2019
datum beslissing: 21 maart 2019
Beslissing van de wrakingskamer op het verzoek als bedoeld in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
in de zaak met nummer 200.167.194/02 van
mr. Martinus Johannes Marie Franken,
mr. Bart Floris Louwerier,
beiden kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van
Impact Retail B.V.,
appellanten in principaal appel, geïntimeerden in incidenteel appel,
hierna te noemen: de curatoren,
advocaat: mr. N.W.M. van den Heuvel te Breda,
tegen
[consumer finance] Consumer Finance B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,
verzoeker tot wraking,
hierna te noemen: [consumer finance] ,
advocaat: mr. F.E.C. Koopman te ’s-Hertogenbosch,
strekkende tot wraking van mrs. M.G.W.M. Stienissen, P.M. Arnoldus-Smit en L.S. Frakes van het team handel van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

1.Het procesverloop

1.1.
Het wrakingsverzoek van 27 februari 2019 met bijlagen is dezelfde dag ontvangen op de griffie van het hof.
1.2.
Mrs. Stienissen, Arnoldus-Smit en Frakes hebben op 11 maart 2019 verklaard niet te berusten in de wraking.
Mrs. Stienissen, Arnoldus-Smit en Frakes hebben in hun verklaring tevens een schriftelijke reactie gegeven op het verzoek.
1.3.
Bij e-mail van 13 maart 2019 heeft mr. Van den Heuvel namens de curatoren medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen.
1.4.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek ter openbare zitting van 14 maart 2019 behandeld. Namens [consumer finance] zijn mrs. Van Steijn en Koopman verschenen en gehoord. Mrs. Arnoldus-Smit en Frakes zijn eveneens verschenen en gehoord.
1.5.
Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de wrakingskamer uiterlijk 28 maart 2019 in het openbaar uitspraak zal doen.

2.Het standpunt van verzoeker

[consumer finance] legt aan haar verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag.
Op 20 november 2018 is door het hof in de zaak tussen partijen met zaaknummer 200.167.194/02 een eindarrest gewezen. Bij brief van 5 februari 2019 is namens de curatoren verzocht om op grond van artikel 31 Rv Pro over te gaan tot verbetering van een kennelijke fout in voornoemd arrest. Deze kennelijke fout zou naar de mening van de curatoren eruit bestaan dat het hof de vonnissen waarvan beroep niet had moeten bekrachtigen, maar had moeten vernietigen en de curatoren alsnog niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Namens [consumer finance] is bezwaar gemaakt tegen honorering van het verzoek tot verbetering. Op 27 februari 2019 is door een griffiemedewerkster van het hof aan de curatoren en [consumer finance] telefonisch medegedeeld dat het hof op 5 maart 2019 arrest zal wijzen. Nu uit artikel 31 Rv Pro volgt dat slechts de verbetering bij arrest wordt uitgesproken en niet de weigering daarvan, kan de aankondiging dat het hof op 5 maart 2019 arrest zal wijzen geen andere strekking hebben dan dat het verzoek van de curatoren wordt toegewezen. Dit levert, mede vanwege de onmogelijkheid (honorering van) het verzoek te baseren op artikel 31 Rv Pro en gezien het feit dat er geen hogere voorziening openstaat tegen deze beslissing, zwaarwegende redenen op voor (objectiveerbare) twijfel aan de onpartijdigheid van de betrokken raadsheren, aldus [consumer finance] .

3.Het standpunt van mrs. Stienissen, Arnoldus-Smit en Frakes

Mrs. Stienissen, Arnoldus-Smit en Frakes stellen zich op het standpunt dat er geen grond bestaat voor toewijzing van het wrakingsverzoek. Zij voeren in dat verband aan dat de enkele aankondiging dat het hof op enig moment arrest zal wijzen nog niets zegt over de inhoud van de beslissing en dat artikel 31 lid 2 Rv Pro onverlet laat dat het hof een herstelverzoek bij arrest zowel toe als af kan wijzen. Zij voeren voorts aan dat het hof geen vast beleid heeft met betrekking tot de vorm waarin een beslissing op een verzoek tot verbetering dient plaats te vinden en dat de praktijk bij het hof leert dat het aan de behandelend kamer wordt overgelaten in welke vorm (brief of uitspraak) de beslissing wordt medegedeeld, ongeacht de inhoud van de beslissing. Zelfs al zou op het verzoek tot verbetering beslist worden in een vorm die niet juist is of zou sprake zijn van een onjuiste beslissing in dat kader, dan duidt dat naar de mening van mrs. Stienissen, Arnoldus-Smit en Frakes nog niet op vooringenomenheid van de behandelend kamer.

4.De beoordeling

4.1.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.2.
Naar het oordeel van de wrakingskamer levert de enkele aankondiging dat het hof arrest zal wijzen op het verzoek van de curatoren tot verbetering van het tussen partijen gewezen eindarrest, waarop [consumer finance] heeft mogen reageren en dat ook daadwerkelijk heeft gedaan, nog geen zwaarwegende aanwijzing op dat de behandelend kamer tegenover [consumer finance] vooringenomen is dan wel dat de bij [consumer finance] bestaande vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Dit geldt temeer, nu de inhoud van de door het hof te nemen beslissing nog niet eens bekend is.
De namens [consumer finance] gegeven uitleg aan artikel 31 Rv Pro, inhoudende dat slechts bij toewijzing van het verzoek tot verbetering een uitspraak (in de vorm van een arrest) volgt, kan niet als juist worden aanvaard. De wettekst biedt hiervoor geen aanknopingspunten, de toelichting daarop evenmin. Uit het enkele feit dat in het tweede lid van artikel 31 Rv Pro staat dat de verbetering op een door de rechter nader te bepalen dag wordt uitgesproken en dat zulks niet is vermeld ten aanzien van de weigering van een verzoek tot verbetering kan niet worden afgeleid dat de door [consumer finance] gegeven uitleg van genoemd artikel juist is. Dat de toewijzing van het verzoek tot verbetering in genoemd artikel is geregeld, is logisch aangezien die verbetering anders dan de weigering daarvan gevolgen heeft voor de inhoud van de beslissing. Derhalve moet een verbetering naar buiten toe kenbaar zijn en daarom bepaalt het tweede lid van artikel 31 Rv Pro dat die verbetering op de minuut van het vonnis, arrest of beschikking beslissing wordt vermeld.
Daarnaast strookt de door [consumer finance] gegeven uitleg ook niet met de bij het hof geldende praktijk, inhoudende dat aan de desbetreffende kamer wordt overgelaten in welke vorm een beslissing op een verzoek tot verbetering wordt medegedeeld, ongeacht de inhoud van die beslissing. Uit het voorgaande volgt dus dat de aangekondigde vorm van de beslissing op het verzoek tot verbetering niets zegt over de inhoud van deze beslissing. De omstandigheid dat kennelijk niet alleen [consumer finance] maar ook de curatoren uit de aankondiging dat het hof arrest zal wijzen, hebben afgeleid dat hun verzoek tot verbetering zal worden toegewezen, doet daaraan niet af.
4.3.
Bovendien heeft te gelden dat ook in het geval het vermoeden van [consumer finance] juist is en het hof bij het aangekondigde arrest beslist tot verbetering van het eindarrest in de door de curatoren gewenste zin, het verzoek tot wraking niet toewijsbaar is. Immers, het enkele gegeven dat het hof alsdan een voor [consumer finance] onwelgevallige beslissing neemt, levert onvoldoende aanwijzingen op voor het oordeel dat de behandelend kamer tegenover [consumer finance] vooringenomen is dan wel dat daarmee de vrees daarvoor bij [consumer finance] objectief gerechtvaardigd is. Dit is niet anders, indien deze beslissing daarnaast juridisch gezien niet juist zou zijn. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Dit geldt a fortiori voor een (verwachte) voorgenomen beslissing. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Weliswaar staat tegen een verbetering (of weigering daarvan) geen hogere voorziening open (artikel 31 lid 4 Rv Pro), maar de regels met betrekking tot doorbreking van een rechtsmiddelenverbod zijn ook hierop van toepassing. Tegen een verbetering (of weigering daarvan) staat, ondanks het rechtsmiddelenverbod, in beginsel onder meer een rechtsmiddel open, indien de rechter de wetsbepaling ten onrechte heeft toegepast, bijvoorbeeld door verbetering van de uitspraak in een geval waarin geen sprake is van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel (zoals volgens [consumer finance] hier aan de orde).
4.4.
De slotsom is dat hetgeen [consumer finance] ten grondslag legt aan haar wrakingsverzoek geen grond oplevert voor wraking. Het verzoek tot wraking wordt daarom afgewezen.

5.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan [consumer finance] , de curatoren en de raadsheren mrs. Stienissen, Arnoldus-Smit en Frakes.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.T.F.M. Krieken, H.A.W. Vermeulen en R.R.M. de Moor en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2019.