ECLI:NL:GHSHE:2019:140
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot plaatsing minderjarige bij vader in uithuisplaatsingszaak
De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank die een machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind bij een netwerkpleeggezin heeft verleend. De vader wenst dat de minderjarige bij hem wordt geplaatst of, indien dat niet mogelijk is, in een neutraal pleeggezin of instelling.
De moeder, de gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming zijn betrokken partijen. De moeder betwist de ontvankelijkheid van de vader in hoger beroep en voert aan dat de vader geen duidelijke grieven heeft geformuleerd. De GI stelt dat de thuissituatie van de vader nog niet onderzocht kon worden vanwege gebrek aan medewerking, maar is bereid dit alsnog te doen.
Het hof oordeelt dat het geschil zich richt op de plaats van tenuitvoerlegging van de machtiging uithuisplaatsing. Het hof is echter niet bevoegd hierover te beslissen; die bevoegdheid ligt bij de GI. Het verzoek van de vader wordt daarom afgewezen. Het hof benadrukt het belang van een zorgvuldig onderzoek naar de thuissituatie van de vader en verwacht dat de vader hieraan zal meewerken.
De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en het verzoek van de vader wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader af en bekrachtigt de beschikking tot plaatsing van de minderjarige in het netwerkpleeggezin.