Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
RK 19/23
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin hij failliet werd verklaard. De maatschap had het faillissement aangevraagd wegens een openstaande vordering van ruim €29.000 en onbetaalde andere schulden. Appellant voerde onder meer aan dat er een pandrecht op een geldbedrag rustte en dat de maatschap misbruik maakte van het faillissementsrecht.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verscheen appellant niet, terwijl zijn advocaat zich kort voor de zitting had onttrokken. De curator en de advocaat van de maatschap bevestigden de openstaande vorderingen en de omvangrijke schuldenlast. De curator stelde dat appellant financieel niet in staat was om te betalen en dat de boekhouding sinds 2013 niet was bijgewerkt.
Het hof oordeelde dat de vordering van de maatschap voldoende was komen vast te staan en dat er geen sprake was van misbruik van recht. Ook was de toestand van het niet meer kunnen betalen aannemelijk gemaakt, mede gelet op de omvangrijke schulden en het gebrek aan liquide middelen of overwaarde. Het beroep van appellant werd daarom verworpen en het faillissement bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het faillissement van appellant en wijst het hoger beroep af.