De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die haar kinderen onder toezicht stelde en machtigde tot uithuisplaatsing bij de grootmoeder voor de periode van 13 december 2018 tot 13 december 2019.
De moeder betwist de noodzaak van de lange uithuisplaatsing en verzoekt om verkorting naar zes maanden, later acht maanden, omdat zij stappen zet om haar situatie te verbeteren, waaronder het zoeken van woonruimte en hulpverlening. Zij wijst op spanningen met de grootmoeder en betwist dat haar partner een gevaar vormt voor de kinderen.
De gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming benadrukken echter dat de moeder nog onvoldoende stabiliteit en betrouwbaarheid toont, dat de woning in België niet beschikbaar blijkt te zijn en dat de situatie rondom de partner problematisch blijft. Het hof oordeelt dat de wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing zijn vervuld en dat de kinderen ernstig bedreigd worden in hun ontwikkeling indien zij terugkeren. De uithuisplaatsing wordt daarom voor de volledige termijn bekrachtigd.
Het hof benadrukt de noodzaak van concrete stappen van de moeder en de instelling om de situatie te verbeteren, mede gezien de komst van een derde kind en de impact van een mogelijke verhuizing naar België. Het verzoek tot verkorting wordt afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende vooruitgang en stabiliteit.