Belanghebbende verkreeg het appartementsrecht van een onroerende zaak die oorspronkelijk geen woning was, maar in verbouwing was tot woning. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en het lagere tarief van 2% overdrachtsbelasting toegepast. De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het hof stelde vast dat de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging nog niet naar zijn aard als woning was bestemd, omdat de verbouwing nog niet was afgerond en essentiële bouwkundige kenmerken zoals leidingen voor keuken en sanitaire voorzieningen ontbraken. De werkzaamheden die vóór de verkrijging waren verricht, waren onvoldoende om de zaak als woning aan te merken.
Op grond van de wetsgeschiedenis en jurisprudentie van de Hoge Raad over het begrip 'woning' in artikel 14, lid 2, Wbr, oordeelde het hof dat het lagere tarief niet van toepassing was. Het hof vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Daarnaast werd het griffierecht van de Inspecteur niet geheven en werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.