ECLI:NL:GHSHE:2019:1782

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 mei 2019
Publicatiedatum
10 mei 2019
Zaaknummer
200.149.647/01 en 200.149.655/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 Wet verevening pensioenrechten bij scheidingArt. 1 lid 4 Wet verevening pensioenrechten bij scheidingArt. 2 lid 2 Wet verevening pensioenrechten bij scheidingArt. 3 lid 1 Wet verevening pensioenrechten bij scheidingArt. 4 Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling peildatum en waardering pensioenverevening bij echtscheiding directeur-grootaandeelhouder

In deze civiele zaak betreffende de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen een man en een vrouw, beiden voormalig echtgenoten, stond de verevening van het pensioen in eigen beheer centraal. De man, directeur-grootaandeelhouder, had pensioen opgebouwd in eigen beheer via zijn BV. Het geschil betrof de juiste peildatum voor de pensioenverevening en de waardering van de aanspraken.

De man stelde dat de peildatum voor de pensioenverevening 29 maart 2013 moest zijn, terwijl de vrouw en het hof uitgingen van de scheidingsdatum 3 november 2014. Het hof oordeelde dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) bepaalt dat het pensioen moet worden verevend over de periode van huwelijkssluiting tot de datum van echtscheiding, tenzij anders overeengekomen of voldaan aan uitzonderingsvoorwaarden, die hier niet waren gesteld.

Daarnaast gaf het hof opdracht aan een deskundige om de commerciële waarde van het pensioen per 3 november 2014 te berekenen, rekening houdend met de heersende marktrente, en tevens de liquidatiewaarde van de BV per 29 maart 2013 te bepalen, met inachtneming van waardevermindering door pensioenuitvoering. Ook diende de deskundige te onderzoeken of het kapitaal van de BV toereikend was om de pensioenaanspraken van beide partijen af te storten conform de Hoge Raad-beschikking van 14 april 2017.

Het hof wees het verzoek van de man af om een andere peildatum te hanteren en vond zijn fiscale vragen onvoldoende concreet om apart te behandelen, maar gaf aan dat fiscale aspecten in de deskundigenvraagstukken meegenomen moesten worden. De procedure werd aangehouden voor nadere besluitvorming na het deskundigenonderzoek.

Uitkomst: De peildatum voor pensioenverevening is vastgesteld op 3 november 2014 en deskundigen worden opgedragen de pensioen- en aandelenwaardering uit te voeren met fiscale aspecten in acht.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 9 mei 2019
Zaaknummers: 200.149.647/01 en 200.149.655/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/261067/ FA RK 13-1644
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw],
wonende te
[woonplaats] ,
appellante in principaal appel,
verweerster in incidenteel appel
,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. C.C.J. Aarts,
tegen
[de man],
wonende te
[woonplaats] ,
verweerder in principaal appel,
appellant in incidenteel appel,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. B. du Fossé.
Als vervolg op de door het hof gegeven beschikkingen van 22 september 2016, 15 december 2016, 20 april 2017, 18 oktober 2018 en 24 januari 2019.

19.De beschikking van 24 januari 2019

Bij beschikking van 24 januari 2019 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten zoals in rov. 17.4.4 van die beschikking is bepaald en is iedere verdere beslissing aangehouden.

20.Het verdere verloop van de procedure en de verdere beoordeling

20.1.
Bij brief van 20 februari 2019 heeft de advocaat van de
manhet hof het volgende bericht:
“Opvallend is dat uw Hof nu van een andere peildatum uitgaat voor de verevening van het pensioen in eigen beheer dan bij beschikking d.d. 15 december 2016. Tussen partijen is nimmer in geschil geweest om voor wat betreft de verevening van de pensioenaanspraken in eigen beheer uit te gaan van de peildatum van 29 maart 2013 in plaats van 3 november 2014 (scheidingsdatum).
Een andere peildatum heeft tot gevolg dat de deskundige ook nieuwe berekeningen zal moeten maken van de omvang van de pensioenaanspraken per 3 november 2014 en van het aandeel van de vrouw daarin. Dit leidt weer tot extra werkzaamheden en kosten, die inmiddels al zeer fors zijn opgelopen. Dit heeft niet de voorkeur van de man. Uw hof wordt dan ook verzocht om ten aanzien van de verevening van de pensioenaanspraken de peildatum van 29 maart 2013 aan te houden.
Daarnaast wenst de man aan de deskundige ook de vraag voor te leggen om bij de beantwoording van de onderzoeksvragen rekening te houden met de fiscale gevolgen van e.e.a. (waaronder art. 19 Wet Pro op de Loonbelasting) alsmede met eventuele latente belastingclaims.”
20.2.
Het hof heeft aan de zijde van de
vrouw– zowel naar aanleiding van hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 17.4.4 van de beschikking van 24 januari 2019, als op de hiervóór weergegeven reactie van de man – geen reactie ontvangen.
20.3.
Het
hofoverweegt als volgt.
In hetgeen de man aanvoert ziet het hof geen aanleiding om voor de berekening van de aanspraak van de vrouw op het pensioen dat door de man (als DGA in eigen beheer) is opgebouwd, uit te gaan van een andere periode dan de periode van huwelijkssluiting tot tijdstip van echtscheiding. Het verzoek van de vrouw berust op art. 2 lid 1 Wet Pro verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna WVPS), dat mede geldt voor het pensioen in eigen beheer van de directeur-grootaandeelhouder (art. 1 lid Pro 4, aanhef en onder a, WVPS). Het recht op pensioenverevening berust blijkens de regeling in de WVPS op het uitgangspunt dat echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken op het pensioen dat gedurende de deelnemingsjaren tussen de huwelijkssluiting en het tijdstip van scheiding door een van hen is opgebouwd, en dus evenredig met de duur van het huwelijk (art. 2 lid 2 WVPS Pro en art. 3 lid 1 WVPS Pro). De echtscheidingsbeschikking van partijen is op 3 november 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voor de berekening van de pensioenaanspraak van de vrouw moet daarom worden uitgegaan van de periode tot 3 november 2014. De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding voorziet weliswaar in de mogelijkheid dat die Wet (op onderdelen) geen toepassing vindt of daarvan kan worden afgeweken (in het bijzonder art. 4 WVPS Pro), maar daarop heeft de man (of de vrouw) geen beroep gedaan noch is gebleken dat aan de voorwaarden die de Wet daaraan stelt, is voldaan.
De vraag die de man de deskundige nog wil voorleggen, is onvoldoende specifiek. De man spreekt over “de fiscale gevolgen van e.e.a.”, maar niet duidelijk is waar het daarbij om gaat: fiscale gevolgen waarvan, en voor wie? Ook heeft de man niet duidelijk gemaakt wat de relevantie van zijn vraag is voor de beslissing van het geschil van partijen. Voor zover evenwel fiscale aspecten (een eventuele belastinglatentie of toepassing van art. 19 Wet Pro op de Loonbelasting, waaraan de man refereert) van belang zijn voor beantwoording van de door de deskundige te beantwoorden vragen, dient de deskundige daar rekening mee te houden. Dat ligt in zoverre al besloten in de door de deskundige te beantwoorden vragen.
20.4.
Met inachtneming van hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 17.4.4 van de beschikking van 24 januari 2019, beslist het hof thans als volgt.

21.De beslissing

Het hof:
bepaalt dat de deskundige de commerciële waarde van het te verevenen pensioen dient te berekenen per 3 november 2014 (waarbij de heersende marktrente tot uitgangspunt dient te worden genomen);
bepaalt dat de deskundige de vraag dient te beantwoorden of op het tijdstip van echtscheiding (3 november 2013) het in [de BV] BV aanwezige kapitaal toereikend is om:
(i) de pensioenaanspraak van de vrouw af te storten (daaronder begrepen de meerkosten om na afstorting tot dezelfde pensioenuitkering te komen als waarop deze zonder afstorting aanspraak had kunnen maken), én
(ii) de overblijvende pensioenaanspraak van de man (genoegzaam) te dekken
op de door de Hoge Raad in zijn beschikking van 14 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:693) in rov. 3.4.5 omschreven wijze;
bepaalt dat de deskundige voorts nog antwoord dient te geven op de vraag wat de liquidatiewaarde van [de BV] BV is per 29 maart 2013, waarbij de deskundige rekening moet houden met de waardedaling van de aandelen als gevolg van de externe uitvoering van de pensioenrechten van de vrouw ten laste van het eigen vermogen van [de BV] BV;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en
P.P.M. van Reijsen, bijgestaan door mr. A.C. Kaemingk als griffier, en is bij afwezigheid van de voorzitter mr. G.J. Vossestein ondertekend door mr. M.J. van Laarhoven en is op 9 mei 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.